Dappere vrouwen
Jota!

- Vergroten
- 1405503465
Wat gebeurde er aan het begin van de vorige als een vrouw een ongeluk kreeg of ziek werd? Kreeg ze dan een uitkering of moest ze maar hopen op de armenzorg? En hoe was dat voor mannen geregeld? Wat was het verschil tussen de rechten van mannen en die van vrouwen?
Middenin het oostelijk havengebied van Amsterdam, tussen de Cruquiusweg en de Zeeburgerkade staat een bijzonder gebouw. Het valt op door zijn lichte kleur en zijn mooie, evenwichtige architectuur. Maar zijn betekenis ontleent het aan wat erin te vinden is. Het is het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Hierbinnen wordt de nalatenschap bewaard van mensen die de wereld veranderden: de brieven van Karl Marx, van Trotsky, maar ook van onze socialistische leiders zoals Troelstra, Domela Nieuwenhuis, Polak en Joop den Uyl. Het archief van de Partij van de Arbeid ligt er, de FNV en nog heel veel meer.
Wie geïnteresseerd is in geschiedenis kan hier zijn hart ophalen en wie die interesse nog niet zo voelt, kan zich verwonderen over bijvoorbeeld de verhalen van de Chinese Studentenvakbond en hun opstand in Beijing in 1989, of over het gedoe rond kernenergie in ons land in de jaren zeventig. Maar vooral is het een museum voor de sociale vakbeweging en de politiek die daarmee verbonden is. Wetenschappers en studenten uit de hele wereld komen naar dit instituut om er met name de geschiedenis van vakbewegingen te bestuderen. Eén van hen is Marian van der Klein.
Promotie en emancipatie
Marian van der Klein studeerde geschiedenis in Amsterdam en besloot daarna te promoveren. Ze koos als onderwerp de vrouwenemancipatie aan het begin van de vorige eeuw. In het bijzonder lette zij daarbij op de verzekeringen die daarmee te maken hadden. Want wat gebeurde er in die tijd als een vrouw een ongeluk kreeg of ziek werd, kreeg ze dan een uitkering of moest ze maar hopen op de armenzorg? En hoe was dat voor mannen geregeld? Wat was het verschil tussen de rechten van mannen en die van vrouwen?
Voor Marian was het niet zo heel moeilijk om die gegevens in de parlementsverslagen en de wetboeken uit die tijd terug te vinden, maar ze wilde natuurlijk veel meer weten. Bijvoorbeeld hoe die wetgeving aangaande ziekte en uitkeringen toen precies tot stand kwam en welke partijen daarin een rol speelden.
Nederland zat toen middenin de industriële revolutie. Overal in fabrieken en werkplaatsen verschenen machines en niemand was daaraan gewend. Dat gaf dus ongelukken. Uitkeringen bestonden in die tijd nog maar nauwelijks. Hoe pakte dat toen uit? In haar onderzoek richtte Marian zich op de regels en wetten die in die tijd langzamerhand tot stand kwamen en in het bijzonder keek zij naar de rol van de vrouwenbeweging hierbij.
Bedrijfongevallen en beroepsziekten
Ziekte, ongevallen op het werk, zwangerschap, moederschap en pensioen zijn belangrijke trefwoorden in haar onderzoek. En ze doet ontdekkingen: van 1890 tot 1930 was er geen enkele tegemoetkoming voor zwangere vrouwen die niet meer konden werken. Pas in de Ziektewet van 1930 werd geregeld dat vrouwen een maand voor de bevalling mochten stoppen met werken en een uitkering krijgen. Maar ze moesten wel getrouwd zijn. Ongehuwde zwangere vrouwen kregen in de meeste gevallen niks. Op het gebied van de ongevallenverzekeringen was het aan het begin van de vorige eeuw nog niet best geregeld. Zo waren er beroepen waarvoor die verzekeringen nog niet eens bestonden. Vrouwen die binnen het huishouden werkten, zoals dienstboden, waren geheel onverzekerd terwijl daar juist de meeste ongevallen gebeurden (door kokend water, wankele keukentrapjes, ramen zemen op een ladder, enz.) Opvallend was dat de vrouwenbeweging zich niet zo druk gemaakt heeft over de verzekering van dit soort bedrijfsongevallen. Veel harder vochten zij voor het opnemen van beroepsziekten in een uitkeringsregeling. En beroepsziekten kwamen in die tijd relatief veel meer voor dan ongevallen. Denk maar aan huidziekten bij dienstboden en aandoeningen aan knieën en tbc bij textielarbeidsters.