Sinds de tijd dat verbrande zeespons voor diverse kwalen werd voorgeschreven en aderlaten volkomen normaal was, hebben artsen zich vol overgave gestort op het ontwikkelen van medicijnen die ook daadwerkelijk helpen tegen de kwaal waarvoor ze worden gebruikt. Toch blijken in een klein aantal gevallen de geneesheren nog steeds hun patiënten naar huis te sturen met een aai over de bol of een nutteloze pil: placebo's.
Vlees van een adder, krokodillenpoep, Egyptische wilgenbladeren en verbrande zeespons: het is slechts een greep uit de middelen die geneesheren een paar eeuwen geleden aan hun patiënten voorschreven. In 1824 importeerde Frankrijk nog 33 miljoen bloedzuigers, die ook vaak standaard werden toegepast voor diverse kwalen. In vroeger tijden had de geneeskunde nog te weinig kennis om mensen een medicijn te geven met een bewezen werking, en schreef men dit soort nutteloze drankjes of pillen voor: placebo’s, wat “ik zal behagen” betekent.
Met de opkomst van de moderne geneeskunde werden placebo’s echter meer als last dan als hulpmiddel beschouwd. Toen in 1955 de arts Henry Beecher vond dat ruim één op de drie mensen gebaat waren bij een placebo in plaats van een echt geneesmiddel, zat de schrik er bij de wijze heren artsen dan ook goed in. Sindsdien worden placebo’s standaard in medische onderzoeken gebruikt om de werking van een medicijn te bepalen en factoren als de gemoedstoestand of de verwachting van een patiënt uit het medicijnenonderzoek te filteren.
Toch herwint het nepmiddel de belangstelling van de medische stand, nu steeds meer onderzoek bevestigt dat de kracht van gedachten en gevoelens direct het verloop van een ziekte kunnen beïnvloeden. Deze special probeert u te behagen met artikelen over de kracht en de zwakheid van het loze drankje, de aai over de bol, het ingestraalde water van Jomanda, en de vrouw die haar afweersysteem kon onderdrukken door te denken aan een roos.