Gentherapie terug van weggeweest

Toen biologen in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw hadden ontdekt hoe je genen kon isoleren en klonen, leek niets de triomf medische wetenschap nog in de weg te staan. Als eenmaal de functie van alle genen eenmaal bekend was en je kon ze ook nog naar believen manipuleren, dan zouden er eindelijk therapie├źn beschikbaar komen voor ongeneeslijke aangeboren aandoeningen als taaislijmziekte en spierdystrofie. Het idee was eenvoudig: door in miljarden lichaamscellen niet goed functionerende genen te vervangen door stukjes DNA die hun werk wel doen, zouden aangeboren ziekten genezen kunnen worden.

Om meer onderzoek te laten doen naar dit ei van Columbus trokken overheden en investeerders enthousiast de beurs. In 1990 werd het eerste experiment op een mens uitgevoerd. Binnen vijf jaar zou de techniek in de kliniek toegepast worden, zo was de verwachting, en dan waren die investeringen zo terugverdiend. Maar de praktijk bleek weerbarstiger dan de theorie. Het bleek veel moeilijker dan gedacht om genen in te bouwen in het DNA van miljarden cellen en om ze dan ook nog hun normale werk te laten doen. Tastbare resultaten bleven uit en ondanks (of juist door) de hooggespannen verwachtingen verloren geldschieters al snel hun belangstelling. Na de hype werd het stil aan het gentherapiefront. En toen er in 1999 bij een experiment in de Verenigde Staten een dode viel, leek het lot van de gentherapie bezegeld. Toch slaagden eerder dit jaar Amerikaanse artsen erin het netvlies van patiënten met ‘amaurosis congenita van Leber’, een aangeboren ziekte waarbij de patiënt langzaam blind wordt, weer aan de praat te krijgen door het te injecteren met ‘gezond’ DNA. In stilte is er dus wel degelijk vooruitgang geboekt. In Noorderlicht een interview over de wederopstanding van de gentherapie met de Leidse geneticus Twan de Vries.

Wetenschapsnieuws van Noorderlicht online

Descartes’ De passies van de ziel vertaald In het najaar van 1649 werd René Descartes’ laatste werk Les passions de l'âme gepubliceerd, tegelijkertijd in Parijs en in Amsterdam. Hierin beschrijft Descartes de werking van de hartstochten, de lichamelijke mechanismen waarop ze berusten en hun functie in het lichaam. Hij geeft een uiteenzetting van het menselijk lichaam en de manier waarop dat verbonden is met de ziel. Vervolgens classificeert hij de hartstochten, die hij allemaal afzonderlijk bespreekt. De passies van de ziel is sinds de zeventiende eeuw zeer veel gelezen, herdrukt en vertaald en heeft grote invloed gehad op de filosofie, de psychologie en de literatuur. Voor het eerst verschijnt een complete vertaling in het Nederlands. In Noorderlicht een interview met de vertaler, de Utrechtse hoogleraar filosofie Theo Verbeek.

(presentatie: Ger Jochems)