Er blaast een kille bries over de hei op landgoed Het Paradijs, een door boerenland omringd natuurgebiedje van het Geldersch Landschap in de buurt van Barneveld. Na een wandeling over zompige paden zitten we op een verlaten bankje en kijken uit over riet, watertjes, zandruggen en vochtige heide. Aan de horizon berken en dennen. Het is wijds, stil en decembergrijs in dit onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur.
Ecoloog
Frank Berendse lijkt geen last te hebben van de kou; hij voelt zich hier helemaal thuis. Hij weet precies waar driehonderd meter verderop zeldzame vlinders als het
Gentiaanblauwtje in de zomer te zien zijn, of schoon kwelwater uit het zand opborrelt en dus de zeldzame
waterviolier groeit. Of dat vijf meter van onze voeten ooit een zwaar bemest weilandje lag. En hij wijst in de richting van een bomenrij, waarachter de bio-industrie
ammoniak uitwasemt en hier zorgt voor woekerende grassen en bramen.
Ver voordat hij hoogleraar natuurbeheer en plantenecologie in Wageningen werd, deed Berendse in 1971, 72 en 73 veldonderzoek in deze streek. ‘Ik bracht toen in dertig hokken van elk een vierkante kilometer alle vogels, vlinders en planten in kaart. In 2002 heeft een promovendus van mij dat voor exact dezelfde terreinen herhaald. Dan zie je dat er interessante veranderingen en verschuivingen zijn opgetreden.’
Sterke verschraling
Vergelijking van de gegevens toont volgens Berendse dat twaalf van de vijftien soorten vogels van het boerenland, zoals grutto en veldleeuwerik sterk in aantal zijn achteruitgegaan. Bosvogels als de grote bonte specht zijn juist door bosontwikkeling in Het Paradijs flink in aantal toegenomen. Ook l
andelijk wordt die trend waargenomen. ‘Je ziet eigenlijk een tweedeling ontstaan: in het boerenland is een sterke verschraling opgetreden. In de natuurgebieden zijn ook problemen - denk aan de bedreigde korhoenders - maar ook veel successen, vooral daar waar landbouwgronden zijn aangekocht om natuurgebieden te verbinden en uit te breiden.’
Een mooi voorbeeld is volgens Berendse het
Fochteloërveen, een van de laatste nog intacte Nederlandse hoogveengebieden op de grens van Drenthe en Friesland. Rond het gebied is de voorbije jaren veel aangrenzende landbouwgrond aangekocht, en zijn dammen aangelegd waardoor het grondwater op een hoger peil is komen te liggen. ‘Sinds 2001 broedt daar weer
de kraanvogel. Het laat zien dat alleen als je een groot complex hebt, je de voorwaarden voor natuurontwikkeling zoals grondwaterhuishouding en stilte in de hand kunt houden. Zonder aankoopbeleid was dat niet gelukt.’
Het succes met de kraanvogel is een illustratie van de filosofie achter de ontwikkeling van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), die sinds 1990 de basisvisie vormt voor de Nederlandse natuurbescherming. Daarmee worden belangrijke, grote natuurgebieden uitgebreid en waar mogelijk met elkaar verbonden. Want veel natuur in Nederland is versnipperd geraakt, het zijn in feite geïsoleerde eilandjes geworden, aldus Berendse.
Ook beschermen waar ze niet zitten
‘Men vergeet soms iets heel voor de hand liggends: als je natuur wilt beschermen, is het niet genoeg om alleen het gebiedje te beschermen waar bepaalde soorten zitten. Je moet ook gebieden beschermen waar ze niet zitten.’ Dat idee wordt modelmatig onderbouwd door het wetenschappelijke werk van
Ilkka Hanski. Hij ontwikkelde een theoretisch model voor de beschrijving van zogenaamde
metapopulaties: verzamelingen van afzonderlijke populaties van dezelfde soort. Elke afzonderlijke populatie fluctueert en loopt een grote kans om uit te sterven. Hoe kleiner de populatie, hoe groter die waarschijnlijkheid. Maar doordat ze omliggende terreinen kunnen (her)koloniseren en via verbindingen in contact staan met elkaar, wordt die kans veel kleiner.
Een aardig voorbeeld is de lepelaar, vertelt Berendse. Lepelaars broedden in het Zwanenwater en Naardermeer. Maar door de komst van een predator - de vos - moest de vogel op zoek naar andere gebieden. Tegenwoordig zit de lepelaar op veel meer plaatsen zoals de Waddeneilanden en zelfs in de Blauwe Kamer bij Wageningen is een kleine kolonie.
‘Leefgebieden van soorten zijn kortom constant aan het veranderen en onderhevig aan allerlei schommelingen. Soorten moeten dus de mogelijkheid hebben andere plekken te koloniseren, om zo later weer een plek waar ze zijn verdwenen te herkoloniseren. Dat is eigenlijk de essentie van het concept van de Ecologische Hoofdstructuur.’
Halfnatuurlijk
Het Paradijs zou je een schoolvoorbeeld van typisch Nederlandse natuur kunnen noemen: halfnatuurlijk. Er zijn uiteraard meer landschapstypes, somt Berendse op: natuurwildernis zoals de Oosterkwelder op Schiermonnikoog, of namaakwildernis in de Oostvaardersplassen. Of stadsnatuur. ‘Ik vind dat al die landschapstypes mooi en de moeite waard zijn, want ook als de invloed van de mens toeneemt en de natuurlijkheid afneemt, zijn er soorten die ervan profiteren. Tegenwoordig broeden er meer kleine mantelmeeuwen op platte daken in het stedelijk gebied, dan in hun oorspronkelijke leefgebied in de duinen.’
De discussie over wat ware natuur is - de strijd tussen liefhebbers van heidelandschap of Oostvaardersplassen, is niet aan Berendse besteed. Niet voor niets schreef hij recent het boek
´Natuur in Nederland´, waarin in al die landschappen aan bod komen. ‘Ik vind die richtingenstrijd vooral geneuzel. Elke beheersstrategie levert een specifiek landschap en specifieke soorten op. Het is dus goed om dat allemaal te doen om zo het gehele spectrum van landschappen en soorten te behouden. De enige echt belangrijke vraag is: hoeveel vierkante kilometer willen we in Nederland voor natuur reserveren.’
Volgens Berendse realiseren veel mensen zich niet ‘de geweldige betekenis van oppervlakte‘. Vergroting van de oppervlakte van een natuurgebied heeft een groot aantal effecten. ‘Ten eerste worden negatieve invloeden van buiten kleiner. Ten tweede bied je soorten die een groot areaal nodig hebben de ruimte - denk maar aan de zeearend in de Oostvaardersplassen. Ten derde bied je populaties mogelijkheden tot contact en uitwisseling. Dat zou je ook via verbindingszones kunnen proberen, maar een vlinder, vis of hert vragen ieder om een aangepast type verbindingszone, dus een aaneengesloten gebied is altijd efficiënter. Ten slotte creëer je met een groot oppervlak de kans op bijzondere omstandigheden, op variatie en dynamiek, zodat voor elke soort altijd wel ergens een geschikte plek te vinden is.’
Landbouwgebieden opkopen
In Nederland is het oorspronkelijke ecologische netwerk grotendeels verdwenen door fragmentatie van natuurgebieden door wegen, steden en landbouw, zegt Berendse. ‘Er zijn veel geïsoleerde populaties, en je weet dat die op de lange termijn ten dode zijn opgeschreven. Alleen als je dat netwerk herstelt door bijvoorbeeld landbouwgebieden op te kopen, kan je het weer herstellen. Dat betekent ook dat als je niet snel genoeg bent met uitvoering van de EHS, je kans loopt dat soorten in de tussentijd zullen verdwijnen.’
Hanski’s wiskundige model van metapopulaties is inmiddels ook de basis van het Europese natuurbescherming regime van Natura 2000-gebieden. Ongeveer de helft van de Nederlandse natuurgebieden is ook
Natura 2000-gebied. Berendse: ‘Voorjaar 2011 ontving Ilkka Hanski uit handen van de Zweedse koning de Crafoord prize - zeg maar de Nobelprijs voor ecologen. Dat is de bekroning van het stuk wetenschap, waarop wij onze EHS gebaseerd hebben. De Nederlandse regering zei op vrijwel hetzelfde moment: dat concept gaan we nu verlaten. Dat is een wel heel merkwaardige tegenstelling.’
Bij de start van de aanleg van de EHS in 1990 werd gestreefd naar de totaal oppervlak aan natuurgebieden van 750.000 hectare in 2018. Echter, het kabinet Rutte heeft besloten geen geld meer voor de EHS uit te geven, waarmee te teller uiteindelijk op iets meer dan 600.000 hectare blijft steken. Bovendien zal de bescherming zich meer gaan concentreren op Natura-2000 gebieden. Deze ‘
herijking van de EHS’ zal leiden tot een verdere verslechtering van de natuurkwaliteit en de leefomstandigheden van planten en dieren in Nederland, zo becijferde het
Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Door internationale verdragen opgestelde natuurdoelen komen voor Nederland buiten bereik.
De exacte gevolgen van de bezuinigingen laten zich volgens Berendse niet in detail of voor specifieke soorten voorspellen, maar de wetenschap levert al wel een handvat. De ecologische
regel van Darlington beschrijft de relatie tussen oppervlak en aantal soorten. ‘Wordt een oppervlak tien keer zo klein, dan neemt het aantal soorten met een factor twee af. Met een EHS die geen 730.000 maar 650.000 hectare groot is, betekent dat op lange termijn het verdwijnen van zo’n 600 van de 40.000 soorten in Nederland. Dat is een heel grove theoretische berekening, inclusief zweefvliegen, bodemschimmels en nematoden. Maar het geeft wel aan dat de bezuinigingen niet zonder effect zullen blijven.’