'Mensen die in de wetenschap een beetje buiten de deur denken, die zijn niet erg geliefd en welkom. Fondsen worden steeds meer opgehangen aan een bepaald doel. Onderzoek moet bij voorkeur een voorspelbare uitkomst hebben en een bijdrage leveren aan ‘de kenniseconomie’. Daardoor is er weinig ruimte voor de afdelingen en mensen waarvan niet meteen duidelijk is wat ze aan de ontwikkeling van het land zouden kunnen bijdragen. Men heeft liever geen mensen die te ver voor de troepen uitlopen.
Maar ondertussen hebben we wel te maken met het zogenoemde innovatiedeficiet. De grote paradox is dat we nog nooit zoveel technologische mogelijkheden hebben gehad om medicijnen te ontwikkelen, en dat er nog nooit in de geschiedenis zo weinig medicijnen ook daadwerkelijk zijn ontwikkeld. Dat heeft volgens mij te maken met de overschatting van een aantal ideeën.
Verouderde denkwijzen
Het zou wel eens zo kunnen zijn dat we aan het eind van de biologische en medische paradigma’s aan het komen zijn, die eigenlijk allemaal uit de negentiende eeuw stammen. Dan heb ik het over basisconcepten als erfelijkheid, evolutie, afweer, de bron van infectieziektes. Volgens mij zijn er nieuwe manieren van denken nodig om in de geneeskunde de volgende stap te kunnen maken.
Waarom is er in de 20ste eeuw geen enkel biologisch concept meer bijgekomen? Ik denk dat het te maken heeft met het feit dat de wetenschap geprofessionaliseerd is. Mensen als Mendel en Darwin waren allebei juist geen professionals. Daar bedoel ik niet mee dat ze hun werk niet goed deden, maar ze hoefden niet van hun werk te leven en waren in die zin amateurs. En ze hadden een zeer brede interesse: het waren generalisten, iets wat we tegenwoordig nauwelijks meer zien. De professionalisering heeft juist tot een enorme specialisatie geleid. Dat zou wel eens kunnen voorkomen dat er nieuwe theoretici opstaan.
Omdat hun opvolgers zo lang op zich laten wachten, worden de evolutietheorie en de Mendeliaanse overervingstheorie zo langzamerhand misschien wel beetje overschat. In de geneeskunde proberen we op dit moment voor een aanzienlijk deel problemen op te lossen die uniek zijn voor de mens. Dan heb ik niet alleen over aandoeningen als depressie, maar ook over fenomenen als kanker. Die zijn elders in het dierenrijk zeldzaam, al was het maar omdat dieren zelden zo oud worden dat ze aan dat soort zaken ten onder kunnen gaan.
Uniek menselijk
Wat Mendel en Darwin echter doen, is vooral benadrukken wat wij delen met de rest van de natuur. Darwin heeft ons onze unieke plaats in de schepping afgenomen. Hij heeft van ons – als ik even chargeer - een geperfectioneerde aap gemaakt. En Mendel zei in feite: u bent vooral een product van de genen van uw voorouders, in plaats van een uniek individu. Ik ben niet gelovig, esotherisch of holistisch - ik ben een puur biologische denker - maar ik denk wel dat er verschillen zijn tussen mens en dier.
Iets als het menselijk bewustzijn bijvoorbeeld is uniek voor de mens. Iets dergelijks kun je nooit verklaren door te denken vanuit de analogie met het dierenrijk. Ik denk dus dat we veel meer op zoek moeten naar de verschillen tussen de mens en de rest van de natuur om dat soort dingen te kunnen begrijpen. En zowel de generalist als onderzoek waarvan niet meteen duidelijk is wat het nut ervan is kunnen daarbij een belangrijke rol spelen.'
Tekst: Bouwe van Straten
Huub Schellekens is is arts, columnist en hoogleraar innovatie en medische biotechnologie aan de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar de kwaliteit en veiligheid van medicijnen en zijn specialisme is het ‘kijken door de bril van wat we niet beheersen’. Hij heeft een column in Het Financieele Dagblad.