“Ik wil graag een lans breken voor een nieuw soort sociologie. De sociologie is een van de moeilijkste wetenschappen. Het is dan ook onterecht dat veel exacte wetenschappers er vaak zo schamper over doen. Vooral het meten is erg lastig. Je hebt traditioneel als socioloog eigenlijk alleen maar de beschikking over enquêtes en kleinschalige observaties om in kaart te brengen wat mensen vinden en hoe ze op elkaar reageren.
Maar juist dat is nu in hoog tempo aan het veranderen, doordat we met ons gedrag tegenwoordig overal digitale sporen achterlaten. Denk alleen al aan alle mobiele telefoniegegevens, die dankzij de huidige generatie smart phones niet alleen vertellen met wie je belt, maar ook waar je je bevindt.
Tegelijkertijd is het nu mogelijk om computergames te maken, waarin je maatschappelijke situaties simuleert. Een serieuze variant op SimCity, zeg maar. Dat maakt het mogelijk om menselijk gedrag op grote schaal te observeren en analyseren, maar ook om mensen aan experimenten te onderwerpen die vroeger ethisch niet verantwoord waren.
Daarnaast is er de afgelopen decennia een enorme vooruitgang geboekt op het gebied van de wiskunde van heel complexe systemen. Dat maakt het mogelijk om die enorme hoeveelheid gegevens te analyseren. Door de samenkomst van die verschillende elementen is er een nieuwe, kwantitatieve sociologie aan het ontstaan. Je ziet dat inmiddels op meerdere plekken gebeuren, niet alleen in de VS, maar ook in bijvoorbeeld Duitsland en Zwitserland. Maar aan Nederland lijkt het vooralsnog grotendeels voorbij te gaan.
Van individu naar groep
Ik denk dat het erg belangrijk dat we processen in de maatschappij in het algemeen beter leren begrijpen. Wat je de laatste decennia ziet, is dat veel verklaringen van gedrag op het individu focussen. Het hele hersenonderzoek is ook gericht op het gedrag en de emoties van het individu. Daardoor raakt uit zicht hoe de mens in groepen functioneert. Die schakel van het individu naar de groep kun je op deze data-intensieve manier leveren. En het leuke is dat juist de veelheid van gegevens die uit het moderne psychologische onderzoek komen daarbij kunnen helpen. In plaats van je af te wenden van het individu, zul je er dus veel preciezer daar naar moeten kijken.
Een van de eerste wetenschappers die deze aanpak in praktijk bracht, was de Deense natuurkundige
Per Bak. Hij maakte economische modellen waarin rekening werd gehouden met twee zaken waarmee in de klassieke economie geen rekening wordt gehouden: de menselijke irrationaliteit en het feit dat niet iedereen op elk moment over alle benodigde informatie beschikt. Met zijn modellen kon hij heel goed allerlei bewegingen in de markt verklaren waar klassieke economen zich het hoofd over braken. Dat was eigenlijk het eerste succes van deze kwantitatieve sociologische aanpak.
Twitter-mining
Natuurlijk zijn er hindernissen voor dit soort onderzoek. In de eerste plaats zijn de gegevens niet altijd toegankelijk, bijvoorbeeld om privacy-redenen. Gelukkig is het met behulp van cryptografie mogelijk om data zodanig te versleutelen dat je niet meer kunt achterhalen van wie de gegevens zijn. Bovendien zijn steeds meer data vrijelijk beschikbaar. Veel onderzoekers zetten bijvoorbeeld hun tanden in
communicatiepatronen op Twitter (en onthulden recentelijk nog
gebruik van nep-Twitteraccounts om politieke bewegingen groter te laten lijken, red.).
Een ander probleem is dat deze aanpak vraagt om een gedegen wiskundige kennis. Nu hebben sociologen over het algemeen niet voor hun vak gekozen vanwege hun grote liefde voor wis- en natuurkunde. Daardoor wordt deze nieuwe aanpak vooral uitgeoefend door buitenstaanders. En die banjeren vaak met zevenmijlslaarzen door de verworvenheden van de sociologie van de afgelopen eeuw heen. Wat natuurlijk volstrekt ten onrechte is, want er is door heel veel mensen al heel hard en diep nagedacht over sociologische problemen.
Het gebrek aan respect voor die traditie bevordert de acceptatie van de nieuwe aanpak natuurlijk niet. Toch heb ik er hoge verwachtingen van. De komende decennia zullen we alleen maar meer digitale sporen nalaten, en er gaan ongetwijfeld ook nieuwe technieken komen voor onderzoekers om die op een verantwoorde manier te verzamelen en analyseren. Dat zal leiden tot nieuwe kennis op allerlei vlakken.
Voor
mijn boek heb ik bijvoorbeeld een Franse natuurkundige geïnterviewd. Die had eigenlijk gewoon een aantal van zijn modellen losgelaten op de financiële markten. Met groot succes: hij was inmiddels directeur van het grootste hedgefund van Frankrijk, en had de crisis dankzij zijn modellen heel profijtelijk doorstaan.
Andere analisten hebben recentelijk een grote hoeveelheid data geanalyseerd over terreuraanslagen in Irak: locatie, omstandigheden, aantal slachtoffers, noem maar op. Met een eenvoudig model bleek al goed te achterhalen hoe het terrorisme geleidelijk veranderde van een versplinterd naar een meer georganiseerd fenomeen. Dat soort ontwikkelingen kun je met nieuwe technieken heel slim uit de gegevens halen. En dat is eigenlijk nog maar een eerste aanzet naar onderzoek waarin je processen in de samenleving als radicalisering beter kunt begrijpen. Of beter kunt begrijpen hoe de aanloop naar een oorlog verloopt. Een nieuwe sociologie kan dus ons inzicht in allerlei maatschappelijke problemen en ontwikkelingen vergroten.”
Tekst: Bouwe van Straten
Bram Vermeer is van oorsprong natuurkundige en werkt vanaf 1992 als zelfstandig (wetenschaps)journalist en fotograaf. Hij is onder meer bekend van boeken als ‘Knagende vragen’ en ‘Zelfdenkende pillen’. In september verscheen ‘2030: Technology that will change the world’, waarin hij vooraanstaande wetenschappelijke en technologische experts ondervraagt over hoe technologie de komende decennia ons leven gaat veranderen.