Hoe gaat het met de slangen van de wereld? Het snelle antwoord is: slecht natuurlijk, zoals met vrijwel alle wilde dieren. Als je de gewervelde landdieren op een balans zou zetten, met aan de ene kant de wilde dieren en aan de andere kant de mens met al zijn huisdieren en vee, dan slaat die balans krachtig door naar de mensenzijde. Het gezamenlijk gewicht aan die kant is wel vijftig à honderd keer zo groot. Terwijl het een paar duizend jaar geleden nog andersom was.
De verhouding is nog steeds niet stabiel, blijkt keer op keer. Of je nou kijkt naar wilde zoogdieren, vogels, amfibieën of reptielen, hun achteruitgang gaat maar door. Hoe hard? Voor slangen is een eerste poging gedaan om wereldwijd te kijken hoe hun aantallen zich ontwikkelen. Een groep biologen
rapporteert er deze week over in Biology Letters, en gebruikt daarbij meerdere malen het woord ‘alarmerend’.
Slangen tellen
Ze hebben zo veel mogelijk slangentellingen samengevoegd. Zulk onderzoek is maar weinig gedaan, omdat het erg veel werk is. Je moet dagelijks een gebied uitkammen en alle slangen van een bepaalde soort tellen die je vindt. En dat tientallen jaren achter elkaar. Chris Reading en zijn collega’s hadden gegevens van niet meer dan zeventien slangenpopulaties van in totaal elf soorten, meestal pas daterend vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw.
De dieren leefden in gebieden in Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië, Nigeria en Australië. Een beeld van de toestand in de hele wereld kun je dit dus niet noemen. Toch maken de biologen zich grote zorgen. Ze zagen bij elf van de zeventien slangenpopulaties een gelijktijdige, snelle afname van het aantal dieren. Tot 1998 was er nog niets aan de hand, maar daarna daalde het aantal slangen binnen enkele jaren tot een fractie van het oorspronkelijke aantal. Dat bleef vervolgens stabiel.
Erger bij vrouwtjes
Opvallend was dat het aantal vrouwtjes harder achteruitging dan het aantal mannetjes. Van de damesslangen verdween gemiddeld ruim 80 procent, van de heren ‘maar’ 64 procent. Aan een verklaring wagen de biologen zich niet, want daar hebben ze geen onderzoek naar gedaan.
Ze kunnen wel zeggen dat aantasting of verstoring van het leefgebied in ieder geval niet dé verklaring zijn, want veel van de onderzochte slangen leefden in beschermde gebieden. Wel was het zo dat alle slangen waarmee het goed was gegaan, bescherming genoten. Ook waren het vooral de soorten met een actieve jaagstijl en een groot leefgebied die er goed aan toe waren, terwijl slangen die graag vanuit een hinderlaag hun prooi aanvallen, de pineut waren.
Wat betekent het nu dat slangen gelijktijdig onderuit zijn gegaan in Europa en Nigeria? Eerdere problemen in Europa werden meestal toegeschreven aan vernietiging van leefgebieden. Nu lijkt het er meer op dat klimaatverandering de boosdoener is. Het jaar 1998 was extreem heet, en dat is het sindsdien gebleven. De kwaliteit van het leefgebied is daardoor misschien aangetast, met minder slangen tot gevolg.
Maar dat blijft voorlopig speculatie. De onderzoekers hopen dat hun artikel meer slangenonderzoekers zal prikkelen om met hun gegevens naar buiten te komen, en ook nieuwe slangentellingen te beginnen. Zodat een beter beeld ontstaat van de toestand in de hele wereld.
Elmar Veerman
Chris Reading e.a.: ‘Are snake populations in widespread decline?’ Biology Letters, 9 juni 2010