Risicovolle vissen in zure oceaan
Jonge vissenlarven voelen zich aangetrokken tot roofdieren als er meer CO2 in het water zit

- Zoom
- Een paar clownvissen in hun veilige natuurlijke omgeving. Als enige diersoort hebben ze geen last van het gif uit de netelcellen van de anemonen.
Door de toenemende CO2-uitstoot verzuurt de oceaan in rap tempo. De CO2-concentratie waarbij koralen afsterven komt al in zicht. Maar wat zijn de gevolgen voor vissen? Nieuw onderzoek laat zien dat vissenlarven in een zure oceaan massaal sterven door risicovol gedrag.
De oceanen worden in snel tempo steeds zuurder, als gevolg van de toenemende CO2-uitstoot. Hoe meer CO2 in het zeewater oplost, hoe lager de pH-waarde. De verwachting is dat rond 2050 een kritische grens van 550 ppm CO2 in het zeewater wordt bereikt. De oceaan is dan zo zuur dat kalk erin oplost en koralen en schaal- en schelpdieren geen uitwendige skeletten of schelpen meer kunnen vormen. Maar wat zijn de gevolgen voor vissen? Die zullen, volgens een publicatie in de PNAS van deze week, massaal sterven in het larvenstadium.
Over de gevolgen van een verhoogde CO2-concentratie op vissen is vrij weinig bekend. Een van de onderzoekers die zich daar mee bezig houdt is de Australische zeebioloog Philip Munday van de James Cook University. Hij toonde vorig jaar al aan hoe verzuring van de oceaan het reukvermogen van de larven van clownvissen aantast. In een vervolgstudie, een samenwerking tussen internationale onderzoekers, laat hij nu zien dat vanaf een bepaalde CO2-concentratie het aantal sterfgevallen snel stijgt doordat de larven zich aangetrokken voelen door roofvissen.
Roofvisaroma
Munday en zijn onderzoeksteam deden een reeks experimenten, waarbij de clownvislarven in aquaria zaten waarvan het water verschillende concentraties CO2 had. Het water van de controlegroep bevatte normaal zeewater met 390 ppm CO2. De eerste testgroep zat in zeewater van 550 ppm CO2, een waarde die zeewater naar verwachting rond 2050 minimaal zal halen, en waarbij koralen niet langer aangroeien maar afbreken. Het water van de twee daaropvolgende testgroepen bevatte 700 en 850 ppm CO2. De verwachting is dat zeewater tegen het einde van de eeuw een CO2-gehalte van zeker 850 ppm bereikt.
In de natuur ruiken de larven waar ze een veilig onderkomen kunnen vinden, in een koraalrif met zeeanemonen. Ook kunnen ze chemische sporen in het water detecteren van roofvissen die het op hen gemunt hebben. Het onderzoeksteam testte de larven door ze in een bak met twee waterstromen te zetten, waarvan een stroom de geur van een roofvis bevatte en de andere schoon water. Zowel clownvislarven uit het zeewater met een CO2-gehalte van 390 als van 550 ppm kozen voor de veilige schone waterstroom. Maar bij 700 ppm ging het mis.
Aanvankelijk meden deze larven eveneens het water met roofvisaroma. Vier dagen nadat ze waren uitgekomen kwam daar spontaan verandering in. Ongeveer de helft waagde zich niet in dit water, maar de andere helft bracht er 74 tot 88 procent van de tijd in door. En bij de larven uit het water met 850 ppm CO2 was het nog erger. Zij vermeden het roofdierwater alleen de eerste dag. Na acht dagen brachten ze maar liefst 94 procent van hun tijd door in het ‘gevaarlijke water’.
Sterfgevallen
Om erachter te komen of ook andere vissoorten dit gedrag vertoonden, herhaalden de onderzoekers de experimenten met in het wild gevangen larven van een andere soort koraalvis. De resultaten waren nagenoeg identiek; hoe hoger het CO2-gehalte, hoe meer de larven zich aangetrokken voelden tot hun natuurlijke vijand.
Na het uitzetten van de clownvislarven in een natuurlijk koraalrif vertoonden de larven uit het testwater met 850 ppm CO2 het meest riskante gedrag. Ze waren veel actiever en zwommen verder weg van het rif, waar ze meer gevaar lopen. Helemaal als ze zich aangetrokken voelen tot de geur van roofdieren. Het aantal sterfgevallen lag dan ook negen keer hoger dan bij de controlegroep.
Alle jonge clownvisjes vielen ten prooi aan roofvissen. Ook de larven uit het testwater met 700 ppm CO2 hadden een hoger aantal sterfgevallen, vijf keer meer dan de controlegroep. Volgens Munday toont dit onderzoek aan dat een sterk verhoogde CO2-concentratie in de oceaan dramatische gevolgen kan hebben voor diverse vissoorten, omdat ze als larven al massaal het loodje dreigen te leggen.
Paul Schilperoord
Philip L. Munday, ‘Replenishment of fish populations is threatened by ocean acidification’, in PNAS, 6 juli 2010.