Geluidsstrijd tussen mens en dier
Dieren proberen op verschillende manieren lawaai van mensen te overstemmen
![Walvissen proberen achtergrondgeluid te overstemmen door harder te brullen. [Foto Susan Parks, Penn State]](/.imaging/stk/wetenschap/photo/media/wetenschap/noorderlicht/artikelen/2010/July/43691142/original/43691142.jpeg)
- Zoom
- Walvissen proberen achtergrondgeluid te overstemmen door harder te brullen. [Foto Susan Parks, Penn State]
Mensen produceren overal lawaai; in steden, op wegen en op zee. Dieren die afhankelijk zijn van hun zang voor communicatie, paring of jagen proberen dat te overstemmen. Verschillende diersoorten blijken daar andere tactieken voor te hebben.
Net als mensen in een druk café doen, moeten dieren omgevingslawaai proberen te overstemmen. Twee verschillende studies in Biology Letters van deze week gaan in op hoe walvissen en zangvogels met geluidsoverlast omgaan. Beide diersoorten gebruiken een andere tactiek; walvissen brullen harder en vogels passen juist de toonhoogte van hun zang aan.
Amerikaanse onderzoekers verrichtten geluidsmetingen met noordkapers, een geslacht uit de familie van zogenaamde echte walvissen. Deze dieren werden door walvisvaarders tegen het einde van de negentiende eeuw bijna uitgeroeid, omdat ze ideaal zijn om te vangen; het zijn langzame zwemmers, rijk aan vet, en hun karkassen blijven drijven. Nu zijn ze beschermd, maar dreigt er een nieuw gevaar, door de geluidsoverlast van schepen.
Walvisgezang
Walvissen produceren geluiden die laag beginnen en daarna omhoog gaan in toonhoogte. De onderzoekers voorzagen veertien noordkapers, waarvan zeven vrouwtjes en zeven mannetjes, van geluidsensoren. In totaal werden 107 walvisgeluiden vastgelegd. Het onderzoeksteam vergeleek het walvisgezang met het achtergrondgeluid van dat moment. De toonhoogte daarvan kwam voor een belangrijk deel overeen met het walvisgezang. De walvissen reageren daar op door niet de toonhoogte, maar de geluidssterkte van hun gezang aan te passen. Dat betekent dat ze meer energie verbruiken in hun poging het achtergrondlawaai te overstemmen.
De onderzoekers denken dat een groot deel van het achtergrondgeluid in zee wordt veroorzaakt door de scheepvaart. Hoewel de walvissen in staat zijn het lawaai te overstemmen, zijn de onderzoekers niet gerust. Ze vrezen dat door een verdere toename in het scheepsverkeer een punt komt waarop de walvissen niet meer tegen de geluidsoverlast op kunnen. En als een walvis zich niet meer hoorbaar kan maken, kan hij niet meer communiceren met anderen, navigeren of jagen.
Stadslawaai
Parallel aan de Amerikaanse walvisstudie deden Mexicaanse onderzoekers experimenten met Mexicaanse roodmussen. Ze wilden erachter komen of deze zangvogels bij meer achtergrondlawaai harder gaan zingen of andere manieren gebruiken, zoals het veranderen van de toonhoogte van hun zang.
De onderzoekers kochten in Mexicostad een aantal zangvogels. Voor het experiment kregen de mannetjes een dosis testosteron om zingen te stimuleren. Elk mannetje werd vervolgens in een kooi geplaatst met aan weerszijden op tien centimeter afstand een kooi met een vrouwtje erin. De mannetjes werden afwisselend bestookt met eerder opgenomen achtergrondlawaai van lage en hogere toonhoogte. In tegenstelling tot walvissen, die alleen harder gingen zingen, verhoogden de vogeltjes juist de minimumtoonhoogte van hun gezang om het achtergrondlawaai te overstemmen. Verder bleef hun zang gelijk, alleen de laagste tonen werden verhoogd, aangezien achtergrondlawaai ook vooral lage toonhoogtes kent.
Als mensen inderdaad steeds meer lawaai gaan produceren, zowel in de stad als op zee, dan zijn de vogeltjes met hun tactiek het beste af. De walvissen gaan alleen steeds harder brullen, wat ze alleen maar meer en meer energie kost. En dat heeft een limiet.
Paul Schilperoord
Susan E. Parks e.a., ‘Individual right whales call louder in increased environmental noise’, in Biology Letters, 6 juli 2010.
Eira Bermúdez-Cuamatzin e.a., ‘Experimental evidence for real-time song frequency shift in response to urban noise in a passerine bird’, in Biology Letters, 6 juli 2010.