Hoe erg is die opwarming?

Zuur voor de natuur, maar landbouw kan profiteren

Een rationele afweging is het helaas niet geworden.
Zoom
Een rationele afweging is het helaas niet geworden.

Het boek 'De staat van het klimaat' van journalist Marcel Crok deed stof opwaaien. Maar het is niet de objectieve analyse waarvoor velen het houden. Een blik op hoofdstuk 6.

Marcel Crok schreef ‘De staat van het klimaat’ niet helemaal alleen. Een groot deel van het hoofdstuk ‘Is die opwarming echt zo desastreus?’ werd geschreven door Rypke Zeilmaker, een wetenschapsjournalist die zich graag tegendraads opstelt. Zo ook hier. Hij probeert meer CO2 vooral neer te zetten als zegen voor de landbouw en de natuur.

Maar het eerste deel komt voor rekening van Crok. Hij neemt daarin nog eens de fouten onder de loep in deel twee van het IPCC-rapport uit 2007, dat over de toekomstige gevolgen van klimaatverandering gaat. Die loep is nogal gekleurd. Omdat ik al eerder over deze fouten schreef, ga ik dat nu niet nog een keer doen.

Voor één fout maak ik een uitzondering, namelijk de kwestie over schade door rampen. Crok stelt terecht aan de kaak dat het IPCC-rapport beweerde dat die schade sterker was toegenomen dan verwacht mocht worden op grond van economische ontwikkeling, terwijl dat niet klopt. Of dat een staaltje bewuste bangmakerij is, kan hij niet hardmaken, maar het lijkt er sterk op.

Oproepen tot verbetering
Dat er fouten zijn gemaakt bij het IPCC, staat als een paal boven water. Oproepen om het beter te doen, komen niet alleen van skeptici, maar bijvoorbeeld ook van de Inter
Academy Council
, die er dit jaar een rapport over uitbracht met stevige aanbevelingen. In hoeverre die uitgevoerd gaan worden, is nog onduidelijk. IPCC-voorzitter Rajendra Pachauri zit in ieder geval nog steeds op zijn plek, en je hoeft geen klimaatscepticus te zijn om dat jammer te vinden.

Over stijging van de zeespiegel, voor Nederland van groot belang, ging het boek tot nu toe nog niet. Zeilmaker kijkt er wel naar, en richt om te beginnen zijn pijlen op onderzoeker Stefan Rahmstorf, die een sterkere stijging voorziet dan het IPCC. Verfrissend, want in de rest van het boek wordt het klimaatpanel vooral neergezet als uiterst pessimistisch. Overigens meldt de schrijver wel dat er kritiek is op het werk van Rahmstorf, maar geeft hij geen inhoudelijke argumenten om deze voorspellingen niet serieus te nemen. Dat de Deltacommissie dat wel doet, is hem desondanks een doorn in het oog.

Discutabele malariaclaim
Is malaria aan het oprukken doordat de wereld warmer is geworden? Het IPCC heeft dat herhaaldelijk beweerd, en Zeilmaker stelt terecht dat dit erg discutabel is. Feitelijk is er meer bewijs voor andere oorzaken, zoals bevolkingsgroei in malariagebieden.

Verdwijnt biodiversiteit door klimaatverandering? Volgens het IPCC zal wereldwijd 20 tot 30 procent van de soorten een verhoogd risico op uitsterven lopen, wanneer de temperatuur meer dan twee à drie graden is gestegen. Een vrij voorzichtige formulering, maar voor Zeilmaker is dit al veel te ‘alarmistisch’.

Hij wijst erop dat dieren zowel hun gedrag als hun verblijfplaats kunnen aanpassen, en daarmee de gevolgen van klimaatverandering kunnen opvangen. Inderdaad houden onderzoekers daar vaak geen rekening mee. Bij flinke opwarming zijn het vooral koudeminnende soorten die moeten wijken. Soms zullen ze uitsterven, omdat er bijvoorbeeld geen hoger en dus kouder plekje meer is op de berg waarop ze leven. Maar in andere gevallen kunnen ze best hun leefgebied verplaatsten. Mits ze niet omringd zijn door ongeschikte gebieden, wat steeds vaker zo is. Zeilmaker 'vergeet' daar rekening mee te houden.

Bomen kunnen niet vluchten
Voor planten, en met name bomen, zijn de directe gevaren nog groter. Zij kunnen niet vluchten voor hitte, droogte of vernatting. Dieren die sterk afhankelijk zijn van één of enkele plantensoorten, kunnen dus ook niet vluchten voor klimaatverandering. Dat vermeldt het boek niet.

Al met al kun je stellen dat het voorbarig is om klimaatverandering voor te stellen als bedreiging nummer één voor de biodiversiteit. Maar een stelling als ‘Voor veel soorten is opwarming zelfs gunstig’ (p. 207) kan de lezer zand in de ogen strooien. Uitbreiding van de ene soort gaat meestal ten koste van een of meer andere soorten.

Over planten schrijft Zeilmaker nog meer. Bij een verhoogde CO2-concentratie verbruiken ze minder water en groeien ze harder, en dat ziet hij als gunstig voor de natuur. Discutabel, want niet elke soort zal hier evenveel van profiteren. Doorgaans vind je de meeste biodiversiteit juist in schrale gebieden, niet op overbemeste grond. Hij gaat hier totaal aan voorbij.

Een zegen voor de landbouw?
Voor de landbouw is extra groei en meer droogtebestendigheid uiteraard wel een zegen. Hij heeft gelijk dat het IPCC erg pessimistisch is bij het inschatten van de toekomst van de boeren in de wereld. Lokale droogte kan problematisch zijn, maar is moeilijk te voorspellen. Het positieve effect van CO2 is een stuk robuuster.

En hoe zit het met de verzuring van de oceanen door het oplossen van extra CO2? Daarover komen veel doemverhalen de wereld in, maar de laatste tijd ook relativeringen. Sommige soorten algen en dieren met een kalkskelet blijken er goed tegen te kunnen. Maar het is te gemakkelijk om dit tot een non-probleem te verklaren, zoals Zeilmaker doet. Hij vindt dat de pH-daling door CO2 er niet toe doet, omdat die binnen de natuurlijke variatie valt. Waarbij hij vergeet dat die natuurlijke variatie intussen ook blijft bestaan, zodat er wel degelijk grenzen kunnen worden overschreden.

Natuurlijke buffers
Ook mist hij een ander belangrijk punt. Hij stelt dat de oceaan vol zit met natuurlijke buffers, zoals kalk. Maar bij verzuring draait het vooral om het bovenste laagje water, waarin het meeste leven zit. Het CO2-gehalte stijgt daarin veel sneller dan in de rest, omdat het oceaanwater slecht mengt. En juist daar zijn weinig buffers. Hij heeft wel een punt wanneer hij stelt dat het zeeleven tijd krijgt om zich aan te passen aan verzuring, en er dus minder last van zal hebben dan bij plotselinge blootstelling in een laboratorium.

Ten slotte geldt ook voor plankton wat voor landplanten geldt: extra CO2 kan werken als meststof, die de algengroei kan stimuleren. Maar uiteraard alleen als er geen gebrek is aan andere voedingsstoffen. Dat vermeldt Zeilmaker wel, alleen vergeet hij erbij te zeggen dat dit gebrek er vrijwel altijd is, in de hele oceaan. CO2 beschouwen als ‘oceaanfertilisatie’, zoals hij doet, is dus misleidend.

Elmar Veerman

(Lees ook de bespreking van de andere hoofdstukken:  1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8)