Oma op de kast
Zorg voor kleinkind zou levensverwachting niet verhogen

- Zoom
- Als oma meehelpt bij de zorg voor haar kleinkinderen, worden deze misschien net zo oud als oma zelf.
Een populaire hypothese uit de biologie zegt dat vrouwen zo oud worden omdat ze als oma helpen bij de opvoeding van hun kleinkinderen. Een antropologe veegt de vloer aan met deze hypothese, maar de aanhangers zijn niet overtuigd.
Mensen zijn uitzonderlijke wezens. In allerlei opzichten lijken ze zich te onttrekken aan de wetten van de natuur. De levensverwachting van vrouwen is zo’n uitzondering. Bijna alle zoogdieren leggen snel het loodje als hun reproductieve periode erop zit. Zelfs onze naaste verwanten, chimpansees, draaien hooguit nog een paar jaartjes mee zodra ze niet meer vruchtbaar zijn.
Zo niet de mens. Vrouwen hebben na de overgang gemiddeld nog tientallen jaren voor de boeg. En dat is niet alleen te danken aan de moderne geneeskunde. Ook in primitieve volkeren lijken vrouwen een basisprincipe van Moeder Natuur te tarten, het principe namelijk dat wat geen nut heeft, rap van het toneel verdwijnt.
Oude genen
Een populaire hypothese uit de biologie heft deze discrepantie op. Oma is wel degelijk nuttig, is de gedachte. Ze brengt zelf dan wel geen nageslacht meer voort, maar ze helpt haar dochters bij de opvoeding van haar kleinkinderen. Die hulp ontlast de jonge moeders, en dat komt de kinderen ten goede.
Dus, zegt deze hypothese: vrouwen die toevallig de genetische bagage hebben om oud te worden, dragen bij aan de overlevingskansen van hun kleinkinderen, waardoor die ‘ouderdomsgenen’ worden doorgegeven. Met een dergelijk mechanisme weet de natuurlijke selectie wel raad: na enige generaties zijn die oude genen dominant binnen de populatie.
Hadza
De oma-hypothese stamt uit de jaren zestig maar kreeg pas aan het eind van de vorige eeuw experimentele ondersteuning. Een groep antropologen, onder aanvoering van Kristen Hawkes van de universiteit van Utah, ontdekte dat het bij de Hadza, een primitief volk van jager-verzamelaars uit Tanzania, zo werkte. Moeders moesten hun krachten verdelen tussen de eigen overleving en die van hun kinderen enerzijds, en de zorg voor nieuwe baby’s. Als hun moeders hielpen bij het zoeken naar voedsel, werden hun kinderen groter en sterker, en konden ze eerder van de borst af.
Dat kan wel waar wezen, dacht Friederike Kachel van het Max Planck Instituut voor Antropologie in Leipzig, maar is die hulp dan ook de drijvende kracht achter de hogere leeftijd? Volgens haar waren er wel studies die dat aantoonden, maar net zo veel waar dat verband niet uit bleek.
Kachel besloot de hypothese in een wiskundig model te toetsen. Een computersimulatie die gehoorzaamde aan de wetten van de evolutie en die het toeval een kans gaf. Ze begon elke simulatie met duizend personen, vijfhonderd mannen en vijfhonderd vrouwen. De vrouwen waren bij aanvang tot hun vijftigste vruchtbaar en overleden kort daarna. In sommige simulaties stortten vrouwen die geen eigen kroost meer hadden om voor te zorgen, zich op hun kleinkinderen.
Virtueel
Na vijfhonderd generaties werd het werk van de virtuele evolutie zichtbaar. In de populaties met de helpende oma’s kregen de vrouwen sneller achter elkaar kinderen en werd hun reproductieve periode korter – ze begonnen er later mee. Maar oma werd nauwelijks ouder, schrijft Kachel in de Proceedings of the Royal Society B.
Achteraf gezien is dat ook wel logisch, zegt ze. Natuurlijke selectie speelt vooral een rol aan het begin van een leven. De invloed ervan op een eigenschap (zoals oud worden) verdwijnt als het organisme ouder wordt. De voordelen van het grootmoederschap moeten volgens haar dus wel heel groot zijn om de levensverwachting te kunnen oprekken.
Haar eigen model geeft haar gelijk. Voor elk jaar dat oma ouder wordt, krijgt ze er gemiddeld nog geen honderdste kleinkind bij. Nee, concludeert Kachel, de vele jaren die een vrouw na de overgang nog te gaan heeft, zijn niet het gevolg van de oma-hulp, maar eerder een bijverschijnsel van allerlei processen die (toevallig?) tegelijk plaats hebben gevonden en waarvan stijging van de levensverwachting er één is.
Bonus
Dat is een merkwaardige redenatie. De eigenschap die oma doorgeeft, is niet de eigenschap die het kind er in de eerste levensjaren doorheen sleept. Het kind krijgt die ouderdomsgenen er als een soort bonus bij. Het argument dat de natuurlijke selectie op hogere leeftijd een steeds kleinere rol speelt, lijkt geen hout te snijden.
Zo denkt Kristen Hawkes er ook over. Ze gelooft wel dat het model van Kachel deugdelijk in elkaar steekt, zegt ze tegen de nieuwsdienst van het wetenschapsblad Nature, maar ze betwijfelt of de aannames over sterfte en vruchtbaarheid kloppen. ‘Ik durf er wat onder te verwedden dat we daar maar een beetje aan hoeven te schaven om een heel andere uitkomst te krijgen.’
Ook Frank Marlowe, een antropoloog uit Florida, denkt dat de oma-hypothese nog niet hoeft te worden afgevoerd, ook al is ze dan niet perfect. Want de definitieve theorie over levensverwachting zal ook iets over de man moeten zeggen. ‘Al is het maar dat opa door oma op sleeptouw wordt genomen.’
Joep Engels
A. Friederike Kachel e.a.: ‘Grandmothering and natural selection’, in Proceedings of the Royal Society B, 24 augustus 2010 online gepubliceerd