De bastaardwolf is een winnaar

Coyote rukt op, vooral de onzuivere variant

De coyote werd niet gezien als vleesgeworden kwaad en mocht dus blijven in de VS. (Justin Johnsen)
Zoom
De coyote werd niet gezien als vleesgeworden kwaad en mocht dus blijven in de VS. (Justin Johnsen)

Toen de wolf bijna overal in de Verenigde Staten was uitgeroeid, rook zijn kleinere verwant zijn kans. De coyote neemt de rol van toppredator over. Maar dat lukt pas echt goed met een beetje wolvenbloed in z’n aderen.

Weinig dieren zijn zo fanatiek bejaagd als de wolf. In Europa stond het beest symbool voor alles wat slecht was, en toen kolonisten naar Amerika gingen, namen ze hun afkeer van wolven mee. Aan het begin van de twintigste eeuw was de soort in de hele Verenigde Staten uitgeroeid (behalve in Alaska), hoewel een enkel sluw exemplaar het volhield tot 1921, wat een verhaal op zich is.

Sindsdien zijn wel hier en daar wolven opnieuw geïntroduceerd, en hoewel het succes daarvan mager is, werd de wolvenjacht deze maand weer wettelijk toegestaan. Een paar wolven in natuurgebieden wordt getolereerd, maar verder moet het niet gaan, vindt het gezag. De wolf blijft op deze manier de grote afwezige in de ecosystemen van de VS. 

En daarvan profiteert een ander roofdier. De prairiewolf heet hij, al is de naam coyote misschien bekender. Het zijn beduidend kleinere dieren dan wolven, zoals in dit korte filmfragment goed te zien is. In de afgelopen negentig jaar is de soort opgerukt tot ver buiten de Amerikaanse grasvlaktes waar hij van oudsher op kleine dieren jaagde.

Coyotes leven nu ook in de oostelijke bossen en zelfs in het zuiden van Canada. Ze weten regelmatig herten te verschalken, en zijn vaak groter dan hun familieleden die op de prairie zijn gebleven. Ze hebben zich dus razendsnel aan de nieuwe omstandigheden aangepast. Op eigen kracht, of spelen ze vals?

Dat laatste, blijkt uit een nieuw onderzoek. Roland Kays, Abigail Curtis en Jeremy Kirchman schrijven in Biology Letters dat de meeste coyotes in het oosten niet helemaal zuiver op de graat zijn. De onderzoekers bekeken van 776 dieren het mitochondriaal DNA (m-DNA), dat nakomelingen alleen van hun moeder erven, en hebben daarnaast de schedelvorm van honderden coyotes vergeleken.

Daaruit maakten ze op dat de coyotes in de staat Ohio (waar ligt die ook al weer?) regelrecht afstammen van de echte prairiewolven, zoals die in Texas en Nebraska voorkomen. Alleen is de genetische diversiteit minder: er komen 11 typen m-DNA voor, in plaats van 22. De logische verklaring daarvoor is, dat de beesten in Ohio afstammen van een kleine groep migranten. Dit zijn dus wél echte coyotes.

In de bossen van het uiterste noordoosten van de VS is nog minder genetische variatie. Daar komt het m-DNA maar in drie versies voor. Slechts één daarvan werd ook in Ohio aangetroffen. En het gekste is: één van de andere twee versies is helemaal niet afkomstig van de prairiewolf, maar van een ondersoort van de wolf die boven de grote meren in Canada leeft.

Het is duidelijk wat er is gebeurd, aldus de drie biologen. Coyotes zijn boven de grote meren langs Canada ingetrokken, hebben zich daar vermengd met wolven, en die mengvorm heeft vervolgens de oostelijke bossen van de VS veroverd. De dieren hebben een wat grotere en vooral bredere schedel en beduidend sterkere kaakspieren dan hun familie op de prairie.

Het is een staaltje van razendsnelle evolutie, dankzij het vermengen van soorten. De licht verwolfde versie van de coyote is succesvoller dan de oorspronkelijke: hij heeft vijf keer zo snel nieuwe gebieden gekoloniseerd als de raszuivere, vermoedelijk omdat hij beter in staat is om grote prooidieren te doden. Hij doet het ook stukken beter dan de wolf. Maar waarschijnlijk komt dat vooral doordat mensen deze kleinere wolfachtige níet direct aanzien voor het kwaad in een bontjas, en dus minder geneigd zijn om ze koste wat kost een kogel door de kop te jagen.

Elmar Veerman

Roland Kays, Abigail Curtis en Jeremy J. Kirchman: ‘Rapid adaptive evolution of northeastern coyotes via hybridization with wolves’, Biology Letters, 23 september 2009