Het nut van bijgeloof

Je kunt beter het zekere voor het onzekere nemen

Brengt een klavertje vier geluk? Het kan weinig kwaad om het te geloven. En geef toe: je moet wel geluk hebben om er een te vinden.
Zoom
Brengt een klavertje vier geluk? Het kan weinig kwaad om het te geloven. En geef toe: je moet wel geluk hebben om er een te vinden.

Hoe komt het dat mensen zo’n sterke neiging hebben om in onzin te geloven, zoals een verband tussen zwarte katten of gebroken spiegels en ongeluk in de toekomst? Mooie theorieën te over, maar je kunt er ook aan rekenen. Bijgeloof loont in een onzekere wereld, menen twee biologen die dat hebben gedaan.

“Als ik mijn paraplu niet meeneem, gaat het natuurlijk juíst regenen…” Zelfs erg rationeel ingestelde mensen betrappen zichzelf wel eens op onzinnige, bijgelovige gedachten. Het onterecht aanwijzen van oorzaak (paraplu vergeten) en gevolg (regen) is op het eerste gezicht totaal nutteloos. Toch heeft vrijwel iedereen de neiging om dit te doen. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Of, zoals Kevin Foster (Harvard, VS) en Hanna Kokko (Universiteit van Helsinki, Finland) het formuleren in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the Royal Society B: “Kan de wetenschap een rationele verklaring bieden voor dit ogenschijnlijk meest irrationele aspect van menselijk gedrag?” Ja, vinden ze zelf. De meeste wetenschappers die het verschijnsel hebben bestudeerd, beschouwden bijgeloof als een afwijking, een onvolkomenheid in het menselijk denkvermogen. Om bij het voorbeeld te blijven: de dag dat je kletsnat regent, maakt nu eenmaal meer indruk dan de dagen dat je je paraplu niet mist, omdat het droog blijft. En zo lijkt het alsof paraplugebrek regen uitlokt. Biologen Foster en Kokko kiezen een andere benadering. Ze bezien de neiging tot bijgeloof als de uitkomst van natuurlijke selectie. Die neiging moet nuttig zijn geweest, anders was hij wel weggezuiverd in de strijd om het bestaan. Dar valt geen speld tussen te krijgen. Deze biologen zijn niet geïnteresseerd in gedachten, maar in gedrag. Ze vertalen de vraag naar het nut van bijgeloof daarom zo: onder welke omstandigheden is het lonend om te reageren alsof er een oorzakelijk verband is tussen twee gebeurtenissen, terwijl dat in werkelijkheid niet zo hoeft te zijn? Met die omschrijving van bijgeloof wordt de vraag meteen veel breder. Nu tellen dieren ook mee, en zelfs bacteriën en planten. Als ze maar anticiperend gedrag vertonen, dat wil zeggen dat ze zich voorbereiden op een mogelijke gebeurtenis in de toekomst. En als ze het maar af en toe mis hebben. De wiskundige modellen waarmee Foster en Kokko vervolgens komen, draaien om het vermijden van levensbedreigende situaties. Daarbij houden ze het simpel, want ze gaan uit van individuen die niet met anderen communiceren, maar helemaal zelf hun gevolgtrekkingen maken. Zo’n individu, bijvoorbeeld een muis, kan twee typen fouten maken. Hij kan ten onrechte een verband leggen, bijvoorbeeld uit geritsel in het gras concluderen dat er een gevaarlijk roofdier aankomt, terwijl het in feite de wind is die het gras in beweging brengt. Of hij kan onterecht géén verband leggen tussen het geluid en de komst van een roofdier – en dat kan fataal uitpakken. In dat simpele model is het lonend om bij verdacht geritsel direct een schuilplaats in te duiken, mits er niet om de haverklap een windvlaag langskomt natuurlijk, en mits er vaak genoeg een echt roofdier acte de présence geeft. De straf op niet vluchten bij reëel gevaar is zo groot, dat de tijd en moeite die het kost om vaak voor niets de benen te nemen erdoor gecompenseerd wordt. Dit model is te eenvoudig, dat snappen Foster en Kokko ook wel. Ze rekenen dus verder, aan een systeem met meerdere voortekenen. Het is voor een muis natuurlijk belangrijk om zo goed mogelijk onderscheid te maken tussen voortekenen die wijzen op een naderend roofdier en verschijnselen die dat niet doen, dus daar zal de natuur ook op selecteren. Maar, stellen ze, er is altijd een grens aan de mogelijkheden om zulk onderscheid te maken. En bij twijfel kun je als muis beter het zekere voor het onzekere nemen. De sprong van theoretische muis naar echte mens is natuurlijk enorm, vooral omdat er bij menselijk bijgeloof allerlei culturele factoren komen kijken en omdat we daarnaast rationeel kunnen denken. Dat beseffen de twee onderzoekers wel. Toch concluderen ze uit hun theoretische werk “dat bijgelovig of schijnbaar bijgelovig gedrag een onvermijdelijk kenmerk is van aanpassingsgericht gedrag van alle organismen, inclusief wijzelf.” Met zo’n brede definitie van bijgeloof kan niemand ze ongelijk geven. Elmar Veerman Kevin Foster en Hanna Kokko: ‘The evolution of superstitious and superstition-like bahaviour’, Proceedings of the Royal Society B, 10 september 2008