Robot aapt na

Menselijke robot wordt leuker

Robots die op mensen lijken, zijn afstotelijk, want ze bewegen niet realistisch genoeg. Speciale na-aapsoftware moet dit probleem oplossen. Robothoofd Jules is onder handen genomen en een beetje menselijker gemaakt.

Robots kunnen harten breken. Neem Wall-E, de animatierobot uit de film van Disney. Met al zijn menselijke trekjes en emoties weet hij heel wat los te maken onder de toeschouwers. De gemiddelde kijker identificeert zich makkelijk met hem en leeft mee met zijn avonturen. En dat terwijl Wall-E er toch echt niet uitziet als een mens of een ander levend wezen. Dit komt ook terug in de echte wereld. Speelgoedrobots worden flink verkocht en hun interactie met mensen wordt makkelijk geaccepteerd. Maar als een robot op een mens gaat lijken, dan wordt hij afstotelijk. Hij is ineens een griezelig nepmens, een pratend lijk. Dit verschijnsel staat in de robotica bekend als de ‘uncanny valley’, de akelige curve. Tot een zeker moment is er sprake van een stijgende lijn in de acceptatie van robots. Hoe meer menselijke trekjes een robot krijgt, hoe leuker hij gevonden wordt. Maar op het moment dat de robot heel veel op een mens gaat lijken zit er ineens een diep dal van afstotelijkheid in deze stijgende lijn. De gebieden waar de robot op de mens achterblijft worden dan pijnlijk duidelijk. Een realistisch wassen beeld is leuk, een emotioneel robotbeest is ook grappig, maar een menselijke robot die praat en reageert moet wel heel erg goed zijn om niet als een zombie over te komen. Blijkbaar moet een menselijke robot aan de menselijke standaard voldoen. En dan zijn onvolkomenheden, in bijvoorbeeld gezichtsuitdrukkingen, niet acceptabel. Realisme verlangt perfectie. Alles wat in het gezicht van een mens te lezen valt, moet ook bij de robot te zien zijn. David Hanson, een voormalig medewerker van de Disney Studio’s, probeert al jaren de akelige vallei over te steken. Hij wil een robot maken die zo realistisch is dat we hem accepteren. Onderzoekers in Bristol besloten daar een handje bij te helpen. Zij namen een realistisch robothoofd van Hanson, Jules geheten, en gingen kijken of ze hem menselijke mimiek konden aanleren. Jules heeft 34 motortjes in zijn hoofd die de rubberen huid en lippen kunnen bewegen. Hiermee kan hij gezichtsuitdrukkingen en praatbewegingen van mensen kopiëren. De uitdaging voor de wetenschappers was om Jules deze uitdrukkingen en bewegingen ook goed te laten gebruiken. Dit pakten ze aan door Jules emoties te laten overnemen van videobeelden. Aangezien het platte videobeeld voor Jules niet direct te vertalen was naar zijn ‘robotspieren’, werd er eerst een animator aan het werk gezet. Acteurs lieten voor de camera een scala aan gezichtsuitdrukkingen zien. De animator selecteerde per uitdrukking tien beelden en zette deze mimiek handmatig over in het hoofd van Jules. Op deze manier ‘leerde’ Jules welke motortjes hij moest inschakelen om specifieke uitdrukkingen van de videobeelden te kopiëren. De experts in Bristol ontwikkelden vervolgens software, waarmee Jules rechtstreeks gezichtsuitdrukkingen van videobeelden kan kopiëren. Hij controleert de beelden op kenmerken in het gezicht, bijvoorbeeld hoeveel je fronst en hoe wijd je mond openstaat. Deze gegevens worden naar de juiste motortjes gestuurd en Jules aapt iedereen na. Ook als Jules praat, ziet het er niet volkomen onnatuurlijk uit. Om nou te zeggen dat de overkant van de ‘uncanny valley’ bereikt is, is teveel lof. Jules lijkt een aardige gozer, maar hij is zijn zombiegehalte (nog) niet ontgroeid. De blijdschap van Jules zal voorlopig de euforie van een sporter na een gewonnen wedstrijd nog niet evenaren. Johan Schaeffer P. Jaeckal et al. ‘Facial behaviour mapping - From video footage to a robot head’, in: Robotics and Autonomous Systems, doi: 10.1016/j.robot.2008.09002