Boze pubers
Beter slaande deuren dan een verdrietige dochter
Stampende voeten op de trap, dichtslaande deuren op de overloop en geschreeuw in de keuken. Het zijn standaard geluiden in een huis waar pubers aanwezig zijn. En dat is maar goed ook, want woede is een positieve emotie als het om moeder-dochter ruzies gaat.
Hoe komen pubers tot hun identiteit? En welke rol spelen conflicten daarbij? Dat vroeg de van oorsprong Duitse Anna Lichtwarck-Aschoff zich af tijdens haar promotieonderzoek aan de Universiteit Groningen. Ze besloot het op een andere manier te onderzoeken dan gebruikelijk.
“Hoe mensen reageren in conflictsituaties wordt vaak onderzocht aan de hand van algemene vragenlijsten” vertelt de psychologe. “Mensen moeten dan aangeven hoe ze gemiddeld reageren. Maar daarmee loop je het risico dat ze intensiteit en frequentie door elkaar halen. Als je net een hele heftige ruzie hebt gehad met je moeder, schrijf je dan misschien op dat dat vaker gebeurt dan eigenlijk het geval is. Ik was nieuwsgierig naar wat er echt gebeurt.”
Daarom vroeg ze 21 vijftienjarige meiden om gedurende een jaar een soort ruzie-dagboek bij te houden. De meiden moesten zes keer per jaar twee weken lang alle ruzies opschrijven die ze met hun moeder hadden. Waar ging de ruzie over? Wat was het eigen standpunt en wat was het standpunt van hun moeder? Hoe hadden ze zich tijdens en erna gevoeld? Het idee hierachter was dat de identiteit invloed heeft op de manier van ruzie maken, maar dat ruzies de identiteit ook vormen. Ze bestuderen levert een heel concreet beeld op van deze ontwikkeling.
De reden dat Lichtwarck-Aschoff zich specifiek op de ruzies met de moeder richtte is omdat dat de ouder is die vaak het meeste thuis is. “De kans dat je daar ruzie mee krijgt is groter.” Ook wordt er van oudsher bij ouder-kind relaties meestal gekeken naar de band tussen kind en moeder.
Dat ze zich alleen op meiden heeft gericht was eigenlijk niet de bedoeling. Maar het bleek moeilijk om jongens te motiveren een dagboek bij te houden over hun moeder, vertelt Lichtwarck-Aschoff. De meiden daarentegen waren wel enthousiast. “Ik heb ze regelmatig opgezocht en ze zijn een keer bij me langs geweest in Groningen. Ook stuurde ik ze kerstkaartjes, om ze te motiveren ermee door te gaan.” Met succes, want er zijn gedurende het jaar maar twee meiden afgevallen.
Uit de ruzie-dagboeken bleek dat de ruzies die de meisjes hebben het vaakst gaan over autonomie. Over het zelf kunnen bepalen van hoe laat ze thuis komen bijvoorbeeld. Bij meiden die weinig ruzie hebben, verschilt de emotie per ruzie. Meer ruzies gaan gepaard met meer verschillende emoties. Maar meiden die vaker dan twee keer per week ruzie hadden met hun moeder, bleken juist vaak dezelfde emoties te hebben, ongeacht waar de ruzie over ging. Volgens Lichtwarck-Aschoff zijn dit soort meiden emotioneel vastgelopen in hun patroon van ruziemaken. “Ze zijn ongevoelig voor de context van een ruzie.”
Ook de emoties per ruzie zijn van belang, ontdekte de psychologe. Boosheid bijvoorbeeld, blijkt helemaal niet zo’n slechte emotie. Meiden die boos waren, hadden het gevoel dat ze controle hadden over de situatie en dat ze hun standpunt mochten uitdragen. Dit ging samen met een gevoel van autonomie. Meiden die hun emoties eerder opkropten en verdrietig waren, hadden het gevoel dat er niet naar hun geluisterd werd en dat ze niet duidelijk konden maken wat ze wilden.
Ouders met pubers die vaak boos zijn na een ruzie hoeven zich volgens Lichtwarck-Aschoff geen zorgen te maken. Dat hoort bij de identiteitsontwikkeling in deze periode. Pas als kinderen na een conflict regelmatig verdrietig naar bed gaan, is het tijd om aan de bel te trekken.
Arianne Hinz
Anna Lichtwarck-Aschoff promoveert 13 november 2008 aan de Universiteit van Groningen met haar proefschrift ‘Watch out, here I grow! A dynamic Systems prospective on the contribution of daily conflicts and emotions in the emergence of identity’.