De zonsverduistering van Odysseus
Sterren: het gebeurde op 16 april in 1178 voor Christus
Het klassieke Griekse heldendicht de Odyssee zit vol verwijzingen naar de stand van sterren en planeten. Dankzij die passages achterhaalden twee onderzoekers de exacte data van de gebeurtenissen. Een zonsverduistering die in het verhaal lijkt te worden vermeld, past daar precies bij. Dat kan bijna geen toeval zijn.
‘En thans sprak tot hen de edele Theoclymenos de Ziener. “Ongelukkigen”, zo riep hij, “wat voor boze betovering daalde over u neer als een lijkkleed? Zie, uw hoofd, uw gelaat en uw knieën gaan op klaarlichte dag schuil in een nachtelijk duister. Een geweeklaag gaat al fluisterend om. Nat van tranen zijn uw wangen. Rood van bloed zijn de wanden. Onder het poortgewelf zoeken schimmen gastvrijheid. Geesten schijnen over het erf te spoeden naar Hades’ duistere woning. De zon aan de hemel geeft geen licht meer. En in een griezelig donkere nevel wordt alles onzichtbaar!”’
Deze passage uit het oud-Griekse heldendicht de Odyssee lijkt te gaan over een volledige zonsverduistering. De ziener zegt dit vlak voordat Odysseus de mannen doodt die tijdens zijn lange afwezigheid de macht in zijn huis hebben overgenomen. En dat moet geweest zijn op 16 april in het jaar 1178 voor Christus, schrijven twee onderzoekers deze week in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.
Odysseus, koning van het eiland Ithaka, bleef twintig jaar weg omdat hij eerst aan het beleg en de vernietiging van Troje meedeed – hij verzon de list met het paard - en toen allerlei omzwervingen maakte. De Odyssee is rond 800 voor Christus opgeschreven, maar speelt zich honderden jaren eerder af.
Verwijzen de woorden van de ziener naar een waargebeurde zonsverduistering? Dat lijkt een absurde vraag, want totale zonsverduisteringen zijn zeldzaam. Ze komen op een willekeurige plek gemiddeld eens in de 370 jaar voor. En toch: in 1178 voor Christus lag Ithaka in de baan van een totale zonsverduistering, berekenden de Duitsers Schoch en Neugebauer in de jaren twintig van de vorige eeuw. Troje heeft echt bestaan, en die stad aan wat tegenwoordig de Turkse kust is, werd rond 1190 voor Christus verwoest. Dus dat klopt redelijk goed met het verhaal.
Tot nu toe neemt iedereen die bewering van de twee Duitsers met een korreltje zout. Maar als het aan Constantino Baikouzis en Marcelo Magnasco ligt, verandert dat. De wiskundige van de Rockefeller University in New York en de Argentijnse sterrenkundige hebben namelijk andere aanwijzingen over de stand van sterren en planeten uit het oude verhaal op een rijtje gezet. Zonder de zonsverduistering in hun overwegingen mee te nemen, komen ze tóch uit op één specifieke datum. En laat dat nou net de dag zijn van de zonsverduistering die Schoch en Neugebauer hadden aangewezen.
Baikouzis en Magnasco hebben iets gedaan wat Schoch en Neugebauer nog niet konden. Met computers hebben ze de posities van alle hemellichamen heel precies teruggerekend. Die uitkomsten vergeleken ze met astronomische aanwijzingen in het heldendicht.
Zo kreeg Odysseus van het godinnetje Kalypso de opdracht om tijdens het zeilen naar zijn eiland de sterrenhoop de Pleiaden en het sterrenbeeld Ossenhoeder in het oog te houden, en de Grote Beer aan zijn linkerhand te houden. Dat is maar heel af en toe mogelijk, blijkt uit de hemelsimulaties. Meestal zijn ze niet tegelijk te zien.
En zo zijn er meer aanwijzingen. De nacht voordat Odysseus de indringers doodt is het nieuwe maan en komt Venus op vóór de zon, staat bijvoorbeeld in het verhaal. Ook zijn er opmerkingen over het reisgedrag van goden, en goden werden vereenzelvigd met hemellichamen.
Voor elke aanwijzing streepten de onderzoekers aan welke data in het tijdvak tussen 1250 en 1115 voor Christus aan de voorwaarden voldeden. In die periode van 135 jaar was er maar één waaraan alles klopte: 16 april, 1178 voor Christus. De gezochte combinatie van hemeltekenen komt zelfs maar eens in de tweeduizend jaar voor, schrijven Baikouzis en Magnasco.
“We haasten ons om erop te wijzen dat onze zaak nog verre van bewezen is”, beginnen ze hun conclusie. Maar plausibel achten ze het wel. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat de Odyssee een voor honderd procent waar gebeurd verhaal is. Dat is onmogelijk, gezien de vreemde dingen die de held meemaakt.
Maar het betekent wel dat de oude Grieken zich uitstekend bewust waren van de bewegingen van de hemellichamen, en ze waarschijnlijk expres in het verhaal verwerkten als tijdsaanduiding. Zo’n vierhonderd jaar na de zonsverduistering werd de Odyssee pas opgeschreven, en tóch klopt het allemaal. “Over de vraag hoe deze kennis is verworven, durven we niet te speculeren, want alle mogelijkheden klinken even ongeloofwaardig”, aldus de onderzoekers.
Is de stand van maan en sterren direct vanaf het begin in het verhaal vastgelegd en honderden jaren lang overgedragen, mondeling of schriftelijk, of kon de schrijver een half millennium na dato berekenen hoe de sterren hadden gestaan?
Het klinkt inderdaad allebei erg onwaarschijnlijk. Vooral dat laatste, want daarvoor zijn in alle opzichten astronomische berekeningen nodig. Maar de vaardigheden van de Oudgriekse sterrenkundigen hebben de moderne wetenschappelijke wereld al vaker versteld doen staan.
Anderhalf jaar geleden maakten onderzoekers een reconstructie van het zogenaamde Antikythera-mechanisme, een zeer precies bronzen raderwerk dat ongeveer in 150 voor Christus moet zijn gemaakt. Daarmee zijn de simulaties uit te voeren die het schrijven van de Odyssee mogelijk zouden hebben gemaakt. Misschien bestonden zulke hemelse rekenwerktuigen al veel eerder.
Elmar Veerman
Constantino Baikouzis en Marcelo Magnasco: ‘Is an eclipse described in the Odyssey?’, PNAS Early Edition, 24 juni 2008