Het wandelende oog van de platvis
Platvis niet plots ontstaan, maar geleidelijk geëvolueerd
Lelijk is de platvis misschien wel, maar een ‘hopeful monster’ is-ie in ieder geval niet, bewijst een studie die deze week wordt beschreven in Nature. De vraag was lange tijd of de platvis - met twee ogen aan dezelfde kant van zijn kop - een spontaan verschenen gedrocht of 'monster' was, óf een soort die via tussenstappen uit een normale vis was ontstaan.
Liggend op de zeebodem wacht-ie geduldig op zijn prooi, zijn lijf ingegraven of stevig gedrukt in het zand, waartegen hij nauwelijks afsteekt. Alleen de priemende ogen, twee bolletjes op de bovenkant van de platte vis, verraden zijn aanwezigheid.
Dat de ogen van een platvis op dezelfde kant van de kop zitten, is natuurlijk erg handig. Want uren op de zeebodem moeten liggen terwijl één oog continu in het zand steekt, is vast geen pretje. Maar hoe handig het ook is, het ziet er niet uit. Platvissen zijn gedrochten.
Desalniettemin zijn ze veelbesproken. Want juist dat gedrocht-zijn fascineert wetenschappers al eeuwen. De grote Charles Darwin bijvoorbeeld snapte er niks van. Volgens zijn evolutietheorie ontwikkelen soorten zich vooral geleidelijk. Via stapjes of ‘tussenvormen’ veranderen oftewel evolueren ze. Maar bij de platvis leek dat niet zo te zijn gegaan. De platvis was er schijnbaar ineens. In de zee en musea bevonden zich alleen normale vissen - met aan elke kant van de kop een oog - en platvissen. Niks ertussenin.
Tot nu toe. Want de Amerikaanse evolutiebioloog Matt Friedman presenteert deze week in Nature namelijk niet één, maar twee tussenvormen. Eén daarvan is geheel nieuw voor de wetenschap en gevonden in een stoffige la in het depot van het natuurhistorisch museum in Wenen. Het andere beest was al lang bekend en tentoongesteld buiten het depot, maar verkeerd geplaatst in de soortenboom, zo blijkt nu.
Darwin wist al dat een platvis zijn leven niet start als een gedrocht, met één oog op zijn rug en het andere aan de voorzijde. Een jonge tong, schol of bot is namelijk een heel gewoon visje, met één oog op de rechterkant van zijn kop en het andere links van het midden. Tijdens de ontwikkeling van de vissenlarve maakt één van beide ogen een wandeling, via de bovenkant van de kop naar het andere oog. Eenmaal op de andere helft aangekomen, blijft het daar. En dat resulteert in het gedrocht dat een volwassen platvis is.
Bij de vissen die Friedman nu beschrijft, is die wandeling niet helemaal voltooid. De ogen van het nieuw beschreven geslacht ‘Heteronectes’ en de opnieuw beschreven soort ‘Amphistium’ hebben de andere kant van de schedel net niet gehaald. Ze zijn vlak voor het midden blijven steken.
Onderzoekers die Amphistium voor Friedman onder de loep hadden genomen, dachten dat het gekke oog, zo vlakbij de bovenkant van de kop, stuk was gegaan tijdens het proces van fossilisering. Verder was het een heel gewone vis, vonden ze, met een symmetrische kop.
Maar Friedman bestudeerde twee Amphistium-fossielen uit het Londense natuurhistorisch museum nog eens grondig, legde ze onder de scanner en concludeerde vervolgens dat de ‘beschadigingen’ van beide versteende vissen zó op elkaar leken, dat er eigenlijk geen sprake meer van beschadigingen kon zijn. Het zou wel heel toevallig zijn als ze precies op dezelfde manier stuk waren gegaan.
De onderzochte fossielen van Amphistium en Heteronectes waren ook geen jonge vissen, simpelweg overleden op een moment dat de wandeling van het oog nog niet was voltooid. Daarvoor zijn de exemplaren te groot en hun botten te stevig, schrijft Friedman in Nature. Jonge platvissen van wie het oog nog aan de wandel is, hebben nauwelijks of geen bot. Dat moet zich nog ontwikkelen. Kortom: de fossielen van Friedman zijn volwassen vissen met een gek, half gemigreerd oog. Een tussenvorm dus, ergens tussen gewone vis en platvis in.
Darwin zou het daarmee weer snappen, maar een andere bioloog, de Duitser Robert Goldschmidt (1878-1958), zou een laatste trap na krijgen. De laatste beweerde dat evolutie niet uit kleine stappen bestaat, zoals Darwin dacht, maar uit grote sprongen. Zogenaamde macromutaties in het DNA van dieren zouden ervoor zorgen dat er af en toe gedrochten ontstaan, door Goldschmidt ‘hopeful monsters’ gedoopt. De platvis zou zo’n hopeful monster zijn: lelijk, maar ’t werkt wel.
Creationisten omarmden de theorie van Goldschmidt, maar vele andere wetenschappers vonden het onzin, of althans het extreme karakter daarvan. De natuur kon wel eens een sprongetje maken, vond bijvoorbeeld bioloog en paleontoloog Stephen Jay Gould (1941-2002), maar niet continu van die enorme ‘leaps’ zoals Goldschmidt ze beschreef. Macromutaties zouden een dier bovendien waarschijnlijk meer kwaad doen dan goed.
De discussie over de platvis lijkt nu ten einde. Dankzij Matt Friedman, geen grote als Darwin, Goldschmidt of Gould, maar een gewone promovendus aan de universiteit van Chicago. Maar misschien wordt hij wel net zo’n grote. Friedman deed in ieder geval al eerder een grote ontdekking. In 2006 meldde hij in een ander vooraanstaand tijdschrift dat een fossiel dat eerder bestempeld was als een algemeen voorkomend beest, een coelacanth was, een beroemde maar zeldzame oervis. Overigens bestaan daar niet alleen fossielen van, maar zwemmen er ook nog levende exemplaren rond. Maar dat is weer een heel ander verhaal.
Remy van den Brand
Matt Friedman: ‘The evolutionary origin of flatfish asymmetry’, Nature, 10 juli 2008
Philippe Janvier: 'Squint of the fossil flatfish', Nature, 10 juli 2008