Afgesplitste taal verandert extra snel

Biologische evolutiesprintjes ook in taalstambomen

Biologen schudden soortenstambomen tegenwoordig bij bosjes uit het DNA
Zoom
Biologen schudden soortenstambomen tegenwoordig bij bosjes uit het DNA

Als een taal zich opsplitst in twee talen, veranderen het vocabulaire in de nieuwe talen extra snel. Dat blijkt uit een biologisch geïnspireerde analyse van drie taalstambomen.

Ooit werd Charles Darwin geïnspireerd door de fraaie taalstambomen van de Europese talen die toen de laatste wetenschappelijke mode waren. Frans en Spaans stamden af van Latijn, dat weer afstamt van het Indo-Europees, dat ook de grootmoeder is van Nederlands en Russisch en zo is een stamboom te maken met steeds meer vertakkingen. Darwin bedacht om voor het ontstaan van biologische soorten ook een stamboom te gebruiken, en de rest is geschiedenis: zijn evolutietheorie werd de basis van de biologie. Inmiddels gaat de inspiratie de andere kant op. Methoden die door moleculair biologen ontwikkeld zijn om soortenstambomen af te leiden uit bergen DNA-gegevens, blijken ook bruikbaar om te wroeten in de afkomst van talen. Maar dan niet op basis van DNA, maar op basis van woorden in al die talen. Maar nu blijkt dat de overeenkomst nog verder gaat, laat onderzoek zien van Quentin Atkinson van de Engelse Universiteit van Reading en collega's. Een bekend verschijnsel in de evolutiebiologie, het stichtereffect, ofwel het versnelde evolueren van nieuwe soorten, treedt ook op bij nieuwe talen die zich afsplitsen. Als een biologische soort zich opsplitst in twee nieuwe soorten, is dat vaak omdat een paar individuen geïsoleerd raken, en zo de 'stichters' van een nieuwe soort worden. Gunstig uitpakkende genetische mutaties verspreiden zich extra snel in de kleine groep door kruising. Omdat de nieuwe genen niet zo op hoeven te boxen tegen verdunning in een veel grotere pool van al bestaande genen, gaat de evolutie van de nieuwe soort aanvankelijk sneller dan normaal. Atkinson en collega's onderzochten bestaande stambomen voor het Indo-Europees, de Afrikaanse familie van Bantoe-talen en de Austronesische talen. Die laatste worden gesproken in Maleisië, Indonesië, Papoea, en op eilanden in en rond de Stille Oceaan. Die stambomen leken behoorlijk op de bomen die Darwins taalkundige tijdgenoten hadden uitgepuzzeld, maar ze vermeldden ook hoe sterk de woordenschat van talen langs de 'takken' van de boom verandert. Hoe vaker een tak zich gesplitst had, ontdekten de onderzoekers, hoe meer woorden er in die tak veranderd waren. Dat betekent vermoedelijk, zeggen de onderzoekers, dat het opsplitsen zelf leidt tot een snelle verandering van het vocabulaire. Dat kan bijvoorbeeld als de nieuwe taal aanvankelijk gesproken wordt door een aparte sociale groep, die de taal gebruikt als middel om zich te onderscheiden van de omgeving. In zo'n geval zullen verschillen benadrukt worden, opperen de onderzoekers, en verandert het vocabulaire extra snel. "Het is een mooi onderzoek", zegt Michael Dunn van het Max Planck-instituut voor Psycholinguistiek in Nijmegen, die ook werkt aan biomoleculaire methoden voor taalverwantschappen. "Het zou goed kunnen dat er na afsplitsing van een taal versnelde ontwikkeling plaatsvindt. Traditionele taalkundigen hebben daar nooit echt onderzoek naar gedaan." Bruno van Wayenburg Quentin Atkinson et al, 'Languages Evolve in Punctuational Bursts', Science, 1 februari 2008