Het broedmysterie

Bioloog volgt trekvogels richting Noordpool

Jeroen Reneerkens ringt een drieteenstrandloper.
Zoom
Jeroen Reneerkens ringt een drieteenstrandloper.

Een week voor vertrek richting Noordpool begint het bij Jeroen Reneerkens te jeuken: “Het is altijd spannend. Heb ik alles, vergeet ik niets en hoe krijg ik alles mee?” Op 8 mei vliegt de bioloog naar IJsland en vervolgens door naar Groenland om zijn onderzoek naar het broedmysterie onder drieteenstandlopers te vervolgen.

Jeroen Reneerkens - bioloog aan de Rijksuniversiteit Groningen - en zijn team togen in 2007 ook al naar het noorden om drieteenstrandlopers, kleine trekvogels, te bestuderen. Net als veel andere poolonderzoekers hielden ze een weblog bij op de speciale poolwebsite van Noorderlicht. Dat blog draagt de titel ‘Het Broedmysterie’ en staat vol verhalen, foto’s en video’s over de trip van vorig jaar. Ook tijdens de komende expeditie houden Reneerkens en zijn ploeg een dagboek bij. De vraag die centraal staat bij het onderzoek van Reneerkens is waarom sommige vogelkoppels deeltijd op één nest broeden, terwijl andere de eieren op twee nesten tegelijk fulltime warm houden. Dat Reneerkens verder gaat met het onderzoeken van het broedgedrag van de ‘drieteentjes’ wil niet zeggen dat de komende drie weken ‘copy/paste’ is van het afgelopen jaar. “Afgelopen winter heb ik veel onderzoek gedaan in Europa en Afrika, waar de trekvogeltjes overwinteren. Daar ben ik begonnen om de drieteenstrandlopers te bemonsteren met behulp van wattenstaafjes om te kijken welke bacteriën ze bij zich dragen. Ik heb daarmee het onderzoek verbreed. Ik kijk nu niet alleen naar het broedgebied, Groenland, maar ook naar het wintergebied. Zo wil ik kijken of het uitmaakt waar de vogels overwinteren, voor de keuze van een van de beide broedstrategieën. Hopelijk vind ik een verschil tussen de vogels die overwinteren in Europa en de vogels die doorvliegen naar Afrika.” Ook wil Reneerkens de veertjes van de drieteenstrandlopers onderzoeken. “Vogels ruien in hun overwinteringgebied. Aan de veertjes kun je zien wat ze eten en hoe ze leven. Dat is nog niet bij de drieteentjes onderzocht.” Het afgelopen jaar had Reneerkens veel last van vossen op Groenland. Zij roofden de nesten leeg. “Daarom neem ik dit jaar nestbeschermers mee, dat zijn heel grote kooien. Het zijn er vijf in totaal en ze zijn gemaakt van zwaar metaal. Ik moet nog kijken hoe ik ze kan meenemen. Op het ogenblik zijn ze in de werkplaats bezig om ze uitklapbaar te maken.” Verder is Reneerkens bezig de lopende zaken voor zijn vertrek af te maken en moet hij zorgen dat hij alle goede batterijen meeneemt op zijn reis. Want hoewel hij een ervaren poolonderzoeker is, kan hij het zich eigenlijk niet permitteren om iets te vergeten. “Gaandeweg leer je. Afgelopen jaar had ik wel laarzen bij me, maar die waren niet goed af te sluiten van boven. Ik had continu natte voeten. Nu heb ik wel goede rijglaarzen. Vorig jaar was ik ook mijn zonnebril vergeten, wat heel vervelend was, omdat de lucht natuurlijk heel scherp is door het ijs. En er is daar echt geen winkeltje dat zonnebrillen verkoopt. Je hebt dan gewoon pech.” Als Reneerkens met zijn team per vliegtuig bij het veldstation op Groenland arriveert, komt het volgende vliegtuig pas drie weken later. “Eigenlijk is het onderkomen niet meer dan een paar barakken op de toendra. Als wij er zijn, zitten er misschien tien mensen in totaal. Per jaar komen er hooguit veertig mensen.” Dat je een periode bent aangewezen op een kleine groep, is volgens Reneerkens juist de charme van een trip naar de pool. “Je leeft er echt naar toe. Zo’n expeditie is geweldig voor veel mensen in de groep; voor hun is het een primeur. Het poollandschap is ook voor mij het favoriete landschap.” Maar de grootste charme voor Reneerkens zit volgens hem gewoon in het onderzoek. “Ik ben uiteindelijk gewoon heel erg benieuwd hoe dat broedmysterie echt in elkaar steekt.” Met het onderzoek gaat het ondertussen goed: “We hebben de afgelopen jaren enorm veel gegevens verzameld. Ik heb ook al het één en ander geanalyseerd zodat ik nu weet welke richting we de rest van het onderzoek op moeten. Maar er moeten nog heel wat verzamelde gegevens bekeken worden. Soms word ik daar wel onrustig van. Ik geloof dat ik het afgelopen jaar maar drie maanden op de universiteit in Groningen ben geweest.” Toch durft hij al voorzichtig de eerste conclusies te trekken. “Het ziet er naar uit dat de vogels die alleen op een nest zitten, in staat zijn om meer lichaamswarmte langs te eieren te pompen dan vogels die in ploegendienst broeden. Dat kunnen ze doordat ze een hogere hartslag hebben. Het is dus keihard werken voor alleenstaande vogels, maar de beloning is dat ze twee keer zoveel nageslacht krijgen. Dat was ook de aanname van mijn onderzoek. Verder blijkt dat de meeste koppels samenwerken: 32 van de 37 nesten.” Geregeld krijgt de onderzoeker reacties vanuit alle hoeken van de wereld. “Je hebt overal vogelfanaten. Als ze een geringde drieteen zien, zoeken ze op een speciale website waar het ringetje vandaan komt. Ik kreeg net een mailtje binnen van iemand uit Spanje die een vogel zag die ik afgelopen jaar op Groenland heb geringd.” Robert Lagendijk