Wie de twee meter lange komodovaraan een eng beest vindt, zal helemaal nachtmerries krijgen van Megalania, een hagedis met flinke tanden die tot zeven meter lang kon worden. Hij leefde niet eens zo heel lang geleden in Australië, maar verdween rond de tijd dat de mens op het continent verscheen, minimaal 47 duizend jaar geleden.
En dat geldt voor nog veel meer grote dieren, de zogenoemde megafauna. De buidelleeuw, allerlei soorten kangoeroes, een zeven meter lange landkrokodil, enkele enorme loopvogels, de stevige planteneter Diprotodon: allemaal weg. Het precieze tijdstip van uitsterven is meestal niet duidelijk. Sommige soorten lijken het nog duizenden jaren na de komst van de mens te hebben volgehouden.
Zijn de grote beesten stuk voor stuk verdwenen in de magen van Aboriginals? Stierven ze uit doordat deze mensen via brandstichting het landschap veranderden? Deden spontane klimaatveranderingen ze de das om? Of deden al deze factoren een duit in het zakje? De grote schuldvraag is al tientallen jaren onderwerp van discussie. De visie dat de mens de boosdoener was, lijkt de laatste jaren aan de winnende hand. Maar hard bewijs ontbreekt. Bovendien bemoeilijken cultuurverschillen tussen wetenschappers en politieke gevoeligheden het debat.
Australische archeologen willen weten hoe mensen vroeger leefden, in de tijd voor de Europeanen het continent hadden ontdekt. Ze bestuderen skeletten, vuurplaatsen, werktuigen, botten van geslachte dieren, enzovoorts. Paleontologen richten zich op planten en dieren, sommige uitsluitend op de beesten die leefden in de periode rond de aankomst van de eerste mensen. Beide groepen verzamelen hun materiaal tijdens opgravingen. Je zou dus verwachten dat ze nauw samenwerken. Maar niets is minder waar. "Onderzoekers uit de twee disciplines praten nauwelijks met elkaar en ze lezen elkaars publicaties niet”, zegt Jillian Garvey. “Dat is heel jammer, want veel informatie over dieren komt van archeologische opgravingen."
Garvey is zelf opgeleid tot paleontoloog, maar ze doet nu archeologisch promotieonderzoek. Zij is dus een van de zeldzame mensen die beide onderzoeksculturen kennen. De verschillen zijn groot, zegt ze, en andere onderzoekers uit beide disciplines bevestigen dat. De belangrijkste oorzaak is waarschijnlijk, dat paleontologen hun studie beginnen als geoloog of bioloog, terwijl bijna alle archeologen starten met vooral veel sociologische bagage. Sommige archeologen dringen aan op samenwerking, maar de meeste paleontologen houden de boot af.
Voor een deel ligt dat aan de cultuurverschillen – betawetenschappers vinden gamma's vaak geen 'echte wetenschappers' en snappen bijvoorbeeld niet waarom de archeologen elk gevonden botfragmentje per se willen wegen en meten, ook als het waarschijnlijk onbelangrijk is - maar er is meer aan de hand. Archeologen zijn voor hun opgravingen afhankelijk van de toestemming van traditionele landeigenaars, de afstammelingen van de mensen wiens resten worden gevonden. Paleontologen meestal niet.
Het kost vaak veel tijd en moeite om toestemming te krijgen voor opgravingen, zegt Jillian Garvey. En die toestemming kan natuurlijk ook weer worden ingetrokken. Gevonden botten en werktuigen worden soms ceremonieel herbegraven, iets wat jammer is voor de wetenschappers. Maar Garvey heeft er alle begrip voor.
Het lijkt erop dat geen archeoloog hier publiekelijk zijn afkeuring over zal uitspreken. De beroepsgroep is evenmin geneigd te beweren dat menselijke activiteiten de grote dieren de kop hebben gekost. Aboriginals hebben altijd in evenwicht met de natuur geleefd, is het algemene idee. Daarop is hun hele cultuur gebaseerd. De suggestie dat ze een eerder natuurlijk evenwicht grondig hebben verstoord, past niet bij dat beeld. En zal wellicht niet bevorderlijk zijn voor het krijgen van toestemming voor opgravingen.
Archeologe Jaqui Duncan heeft wel een half verkoold bot van een groot uitgestorven dier gevonden in de resten van een kampvuur van 45 duizend jaar geleden. Eentje. “Maar dat wil absoluut niet zeggen dat dit dier op dit vuur is bereid”, zegt ze. “Het bot kan veel ouder zijn en toevallig uit de grond hebben gestoken.” Op de plaats van de opgravingen, langs de rand van Lake Menindee, heeft ze nog veel meer resten van grote dieren gevonden. Die zijn omstreeks 55 duizend jaar geleden collectief gestorven, vertelt ze. Waarschijnlijk toen een drinkplaats droog kwam te staan. Deze dieren stierven lokaal uit door de droogte, is haar voorlopige conclusie. “Dus mensen hadden hier geen schuld aan.”
Met archeologen kun je je maar beter niets te maken hebben, vindt een anonieme paleontoloog. “Zij wringen zich in bochten om te zeggen dat mensen onschuldig zijn aan het uitsterven van de megafauna, ze beweren dat er nauwelijks menselijke resten en overblijfselen van megafauna bij elkaar gevonden zijn. Maar dat is onzin. Ik heb zelf wel degelijk menselijke botten gevonden tussen de dierenbotten, ik heb ze ook netjes beschreven. Maar ik publiceer er niets over. Dat kan ik niet maken naar de boeren op wiens land ik graaf. Menselijke resten betekenen juridische procedures en mogelijke onteigening, en dat zouden ze me niet in dank afnemen. Het zou het einde van de opgravingen in dat gebied betekenen.”
De vraag wat de grote beesten van de Australische bodem deed verdwijnen, zal voorlopig nog wel niet opgelost zijn.
Elmar Veerman