Blauw of blauw?
Taal beïnvloedt de kleurwaarneming

- Zoom
- De twintig blauwtinten die gebruikt zijn in het onderzoek met daaronder een voorbeeld van de onderzoeksopzet. Proefpersonen moesten zeggen welke van de onderste vierkantjes hetzelfde was als het bovenste blokje.
In Rusland hebben ze twee woorden voor ‘blauw’. Dit kan helpen om onderscheid te maken tussen verschillende tinten van deze kleur. Maar alleen als de aandacht niet wordt afgeleid door een linguïstische taak.
In Nederland hebben we er maar één woord voor, maar in Rusland hebben ze maar liefst twee woorden voor de kleur 'blauw'. Lichtblauw noemen ze 'goluboy' terwijl donkerblauw 'siniy' heet. Maakt een Rus hierdoor op een andere manier onderscheid tussen licht- en donkerblauw dan een spreker van een taal die er maar één woord voor heeft? Jonatan Wanawer van het Massachusetts Instituut voor Technologie in Cambridge (VS) en zijn collega's denken van wel. De resultaten van hun kleurenonderzoek presenteren ze deze week in het tijdschrift PNAS.
Volgens de zogenaamde Sapir-Whorfhypothese heeft taal invloed op de manier waarop een spreker de wereld ziet, begrijpt en zich erin gedraagt. Eerder onderzoek toonde aan dat sprekers van een taal die maar één woord heeft voor twee verschillende tinten, die twee kleuren meer op elkaar vinden lijken en ze vaker verwarren, dan mensen die een taal spreken die voor elke tint een apart woord heeft.
Onderzoek rondom deze Sapir-Whorf hypothese is echter vaak omstreden. Volgens Jonatan Wanawer en zijn collega's richt kritiek op dit soort onderzoek zich meestal op de manier waarop het onderzoek is uitgevoerd. Vaak zou de opdracht die de proefpersonen moeten uitvoeren onduidelijk zijn. Daarom maakten de onderzoekers in hun onderzoek gebruik van een eenvoudige, eenduidige taak. De proefpersonen kregen drie vierkantjes te zien en ze moesten aangeven welk van de twee onderste blokjes qua kleur hetzelfde was als het bovenste. Simpel.
Alle blokjes waren blauw. Sommige waren lichtblauw, andere donker. Voor de Engelstalige proefpersonen verschilden ze in tint, niet in kleur. Maar voor de Russen lag het iets anders. Ze zagen dezelfde blokjes, maar als de vierkantjes veel in tint verschilden hadden ze voor hen twee verschillende kleuren, namelijk 'goluboy' en 'siniy'. Het punt waarop voor Engelstaligen 'lichtblauw' overgaat in 'donkerblauw' is ongeveer gelijk aan het moment waarop 'goluboy' voor de Russen overgaat in 'siniy'.
Maakt het voor het uitvoeren van de taak nou iets uit of een taal twee aparte woorden heeft voor verschillende tinten of niet? Alle proefpersonen zagen immers dezelfde blokjes. Toch blijkt het hebben van twee verschillende woorden de keuze gemakkelijker te maken. Als de tinten op zo'n manier van elkaar verschilden dat het voor de Russen verschillende kleuren zijn, maakten zij de keuze sneller dan wanneer de twee tinten tot dezelfde kleur behoren. Voor de Engelstalige proefpersonen was dit verschil in reactietijd er niet.
Taal lijkt invloed te hebben op de snelheid waarmee mensen beslissen of twee kleuren hetzelfde zijn. Maar wat is precies de rol van taal bij deze keuze? Om dat te testen voldeed de simpele opzet helaas niet en werd het onderzoek toch weer ingewikkelder. De proefpersonen moesten, terwijl ze de kleurentest deden, ook nog een ander taakje uitvoeren. Daarvoor werden ze ingedeeld in twee groepen. Leden van de ene groep werd gevraagd om tijdens de test een nummer van acht cijfers onthouden. Mensen in de andere groep moesten een plaatje met zestien vakjes onthouden, waarvan er sommige zwart waren gemaakt. Als de proefpersonen het plaatje moesten onthouden terwijl ze de test deden, had dit geen invloed op de uitkomst. Maar als de proefpersonen een cijferreeks moesten onthouden tijdens het doen van de kleurentest, viel het voordeel van de Russen weg als ze moesten kiezen tussen siniy en goluboy. Dan voerden ze de test op dezelfde manier uit als de proefpersonen die maar één naam voor de beide tinten hebben.
De proefpersonen onthielden de cijfers als woorden. Het herinneren van de cijferreeks was daarom een linguïstieke taak en het onthouden van een plaatje niet. Omdat alleen het onthouden van de cijferreeks invloed had op de keuze van de Russen, maakten ze blijkbaar gebruik van taal als ze moesten kiezen tussen twee kleuren. Het lijkt erop dat bij het zien van beelden, de bijbehorende woorden spontaan naar boven kwamen. Ook als taal helemaal niet nodig leek te zijn voor het uitvoeren van de taak. De woorden hielpen om onderscheid te maken tussen verschillende kleuren. Maar als het brein te druk was met een andere taalgerelateerde taak, verdween dit voordeel ook weer.
Heeft taal dus invloed op non-linguïstische processen? Volgens Jonathan Winawer en zijn collega's wordt er bij de Sapir-Whorfhypothese vaak de verkeerde vraag gesteld. Er wordt te veel vanuit gegaan dat linguïstische en non-linguistische processen strikt gescheiden zijn. Maar taalgerelateerde processen spelen heel vaak een rol in gedrag dat op het eerste gezicht helemaal niks met taal te maken heeft. De vraag moet dus niet zijn óf linguïstische processen een rol spelen, maar in hoeverre. Volgens de onderzoekers spelen ze namelijk zelfs in de meest simpele visuele opdrachten een rol. Wat nou Homo sapiens? Homo loquens!
Arianne Hinz
Jonathan Winawer, Nathan Witthoft, Michael C. Frank, Lisa Wu, Alex R. Wade, Lera Boroditsky, 'Russian blues reveal effects of language on color discrimination', PNAS, 30 april 2007