Bescherming tegen reuzenvogels

Eilandplanten hebben achterhaalde overlevingstactieken

Skelet van de olifantsvogel Aepyornis maximus, gereconstrueerd door Monnier in 1913.
Zoom
Skelet van de olifantsvogel Aepyornis maximus, gereconstrueerd door Monnier in 1913.

Planten op Madagaskar hebben nog allerlei verdedigingsmechanismen tegen de uitgestorven reuzenvogels die daar vroeger rondliepen. Dat heeft nu weinig zin meer, want om hoefdieren te weerstaan heb je heel andere tactieken nodig.

De planten die William Bond en John Silander beschrijven in hun artikel in vakblad Proceedings of the Royal Society B zijn hopeloos uit de tijd. Ze groeien op Madagaskar, waar reuzenvogels miljoenen jaren lang de dienst uitmaakten. De grootste, die bekendstaat als olifantsvogel, was tot drie meter hoog en woog zo’n 350 kilo. Net als zijn wat kleinere verwanten at het beest blaadjes en twijgjes die hij met zijn snavel van planten aftrok. Andere grote grazers waren er niet, want aan zoogdieren was er op Madagaskar niet meer te vinden dan een selectie halfapen en vleermuizen. Maar een kleine tweeduizend jaar geleden veranderde alles plotseling. De eerste mensen vestigden zich op het eiland, afkomstig uit Zuidoost-Azië. Al snel was er geen enkele reuzenvogel meer over, waarschijnlijk doordat de dieren intensief werden bejaagd. De planten van Madagaskar hadden zich in de miljoenen jaren daarvoor aangepast om zo onaantrekkelijk mogelijk te zijn voor de gesnavelde vegetariërs. Die erfenis is vast niet zomaar verdwenen, bedachten de Zuidafrikaan Bond en de Amerikaan Silander. Als eersten gingen ze in de bosjes van Madagaskar op zoek naar de verdedigingswapens van deze planten tegen de uitgestorven reuzenvogels. Enkele jaren geleden hadden ze al gekeken naar Nieuw-Zeelandse planten, die dan wel in een heel ander klimaat groeien, maar verder veel overeenkomsten hebben: voor deze soorten maakten gigantische vogels lange tijd de buurt onveilig, net als voor hun collega's op Madagaskar. Deze vogels, de moa’s, legden het loodje toen de Maori op de eilanden aankwamen, omstreeks duizend jaar geleden. Ook deze vogels zijn nooit door Westerse ogen gezien. De oorspronkelijke planten van Nieuw-Zeeland waren goed aangepast aan het leven onder de dreiging van reuzenvogels, en ze zijn dat nog steeds. Ze hebben meestal twee vormen: eentje voor als ze jong en laag zijn, en een andere vorm voor hoogtes boven de twee, drie meter, waar geen loopvogel er meer bijkan. De jeugdvormen hebben opvallend kleine blaadjes, zodat een vogel veel moeite moet doen om zijn maaltje bij elkaar te plukken. Hun takken zijn dun, wat ze moeilijk te grijpen maakt, maar ook sterk, waardoor het lastig is om ze van de plant te trekken. Vaak hebben de takken een zigzagvorm. Als je aan het einde trekt, geeft zo’n tak moeiteloos mee, dus pas na een heel eind trekken breekt hij af. Ook staan de zijtakken meestal onder een grote hoek ten opzichte van de hoofdtak. Dat maakt het geheel te breed om gemakkelijk een vogelkeel in te glijden. Als bescherming tegen grazende zoogdieren zijn al deze aanpassingen knap waardeloos. Stekels zijn dan veel effectiever, en die zie je dan ook veelvuldig op het vasteland. Grote vogels pikken simpelweg tussen de stekels door met hun harde snavels, dus de planten op Nieuw-Zeeland hebben daar nooit in geïnvesteerd. En op Madagaskar? Bond en Silander verzamelden allerlei planten uit de plaatselijke bosjes en deden hetzelfde in Zuid-Afrika. Vervolgens keken ze of deze gewassen de kenmerken hadden die ze kenden uit Nieuw-Zeeland. En inderdaad, die hadden ze. Een computerprogramma kon meestal uit de kenmerken van een plant afleiden waar hij vandaan kwam. De exemplaren uit Madagaskar leken uiterlijk veel meer op Nieuw-Zeelandse planten dan op die van het Afrikaanse vasteland, terwijl ze aan deze laatste veel sterker verwant waren. De afweermechanismen tegen grote vogels zijn daar de achterliggende oorzaak van, menen de biologen. De beschermingsmaatregelen van deze planten zijn dus hopeloos ouderwets, en dat zal ze op termijn waarschijnlijk de das omdoen. De onderzoekers verwoorden dat zo: “Het verdwijnen van de vogels en de introductie van zoogdieren met totaal andere voedingsgewoonten kan diepgaande en blijvende effecten hebben op de soortsamenstellingen van deze plantengemeenschappen.” Zigzagtakken zijn uit. Wie wil overleven, meet zich stevige stekels aan. Elmar Veerman William Bond en John Silander: ‘Springs and wire plants: anachronistic defences against Madagascar’s extinct elephant birds’, Proceedings of the Royal Society B, 30 mei 2007