Vogels met een geigerteller?
Liever niet nestelen in radioactief gebied

- Zoom
- Trekken vogels zich iets aan van radioactiviteit?
Hebben vogels ingebouwde stralingsdetectoren? Dat misschien niet, maar ze lijken radioactieve gebieden toch te vermijden, stellen vogelonderzoekers vast na onderzoek in het rampgebied rond Tsjernobyl. Hoe de vogels de straling kunnen opmerken is nog een raadsel.
Koolmezen en vliegenvangers kiezen radioactieve plekken liever niet uit om hun eitjes te leggen. Dit stellen de Franse en Amerikaanse vogelonderzoekers Mousseau en Møller in het tijdschrift Proceedings of the Royal Society. Deze onderzoekers van de Universite Pierre et Marie Curie en de University of South Carolina plaatsten een aantal nestkasten aan de rand van het nucleaire rampgebied rond Tsjernobyl. Zo konden ze kijken of het vogels uitmaakt of hun nestelplaats radioactief besmet is of niet.
De kernramp van Tsjernobyl verdreef talloze mensen uit hun huizen, vanwege de gevaren van de straling. Met meer dan vijfduizend vierkante kilometer onbewoond gebied tot gevolg. Ook buiten dit ontvolkte gebied is radioactieve vervuiling aanwezig. De straling is hier weliswaar minder sterk, maar nog steeds vele malen sterker dan de natuurlijke achtergrondstraling.
De effecten van radioactiviteit op de planten en dieren in deze lage stralingsgebieden zijn nauwelijks onderzocht. Mouseau en Møller kozen een plek uit waar hoge en lage stralingsdoses naast elkaar voorkomen. Daar plaatsten ze hun nestkastjes. Vervolgens hielden ze drie jaar lang bij op welke plekken bonte vliegenvangers en koolmezen hun eieren legden.
En ja hoor, de vogels kozen minder vaak voor de nestkasten in de gebieden met veel straling.
De radioactiviteit van de broedplaatsen liep op van een halve millisievert tot 16 millisievert per uur. Vanaf 14 stralingseenheden kozen de vogels de nestkasten helemaal niet uit. De natuurlijke achtergrondstraling in Nederland is ongeveer 170 stralingseenheden per persoon per jaar.
De straling leek geen invloed te hebben op het aantal eieren dat de dieren produceerden, maar wel op het succesvol uitkomen van de eieren. De onderzoekers denken dat dit, wat de koolmees betreft, waarschijnlijk te maken heeft met de plantengroei onder de nestkast. Bij hogere stralingsdoses bleken er minder planten onder de nestkast te groeien en dat heeft een negatief effect op het te wereld komen van de kuikens. De vliegenvangers begonnen veel later met eieren leggen bij hogere stralingsdoses, wat ook leidde tot minder kuikengeboortes.
Maar was het wel de straling die deze gebieden minder populair maakte als nestplaats? De onderzoekers noemen verschillende andere mogelijkheden, maar vegen ze een voor een van tafel. De vogels kunnen bijvoorbeeld vooral kijken naar goede eigenschappen van een nestplaats, zoals lichtintensiteit. Maar het onderzoeksgebied was groot genoeg en bevatte zoveel variatie dat in het experiment de invloed van verschillen tussen nestelplaatsen heel klein waren.
Ook zou het natuurlijk kunnen dat de toekomstige ouders de kunst afkijken van andere vogels, en graag hun nest bouwen op een plek waar eerder een vogelpaar succesvol zijn kroost heeft grootgebracht. Maar de vogels maakten geen andere keuzes aan het eind van de meerjarige studie dan aan het begin van het onderzoek. Aan het begin van het onderzoek waren de vogels immers nog pioniers en die konden van niemand iets afkijken.
Als de beschikbaarheid van voedsel een reden was om een plek te mijden, zou de hoeveelheid gelegde eieren evenredig afnemen met toenemende stralingsdoses. Want, als vogels minder te eten hebben leggen ze minder en kleinere eitjes. Dus als hoge stralingsdoses in een gebied voor minder voedsel zorgen zouden vogels die daar hun nest bouwen minder eieren leggen.
Maar ook dit hebben de onderzoekers niet gevonden.
Waarom meden de vogels dan wel de radioactieve plekken? Hadden ze soms interne geigertellers? Omdat deze zintuigen vooralsnog nog niet in vogels aangetoond zijn, lijkt een andere verklaring logischer.
Mouseau en Møller denken dat het iets te maken heeft met antioxidanten. Deze stoffen komen minder voor in radioactieve gebieden. Voedsel uit die gebieden bevat minder antioxidanten. De vogels hebben antioxidanten hard nodig, omdat die helpen om giftige vrije radicalen om te zetten in minder gevaarlijke stoffen. Als vogels weinig antioxidanten in hun bloed hebben, zijn ze minder fit en leggen ze minder eieren, omdat ze daar niet genoeg energie voor hebben.
Het kan dus best zijn dat vogels gebieden met slechte bronnen voor antioxidanten, zoals rupsen in een radioactief gebied, niet uitzoeken als nestelplaats. En al helemaal niet als ze zelf al weinig antioxidanten in hun bloed hebben omdat ze heel hard werken, zoals de vliegenvanger. Deze vogel komt namelijk elk jaar helemaal vanuit zijn overwinteringsplek in Afrika aangevlogen.
De vliegenvanger zou dus veel baat hebben bij een truc om plaatsen met weinig antioxidanten te vermijden. En uit het onderzoek blijkt hij dat ook inderdaad sterker te doen dan de koolmees, die de hele winter in het bos blijft rondhangen en wat beter voorzien is wat antioxidanten betreft. Het is een mooie verklaring. Maar, hoe dan ook, dan weten we nog steeds niet hoe de vogels weten hoeveel antioxidanten in de omgeving aanwezig zijn. Misschien toch met behulp van een interne meter?
Lemke Kraan
Anders Pape Møller and Timothy A. Mousseau, 'Birds prefer to breed in sites with low radioactivity in Chernobyl', Proceedings of the Royal Society, geaccepteerd 12 maart 2007.