Van walvisvaart tot wetenschap
Geschiedenis van Nederlands onderzoek in de vrieskou

- Zoom
- De mannen van Barentsz trotseren een ijsbeer.
Nederland had geregeld een grote inbreng in poolexpedities, voornamelijk naar de Noordpool. Hoe is dat begonnen? Wat deden de pioniers aan wetenschap? Een ontwikkeling in wetenschap op de polen.
Nederlands poolonderzoek begon op de Noordpool, in eerste instantie aangedreven door de bekende handelsgeest. Vanwege de lange reisafstand naar het winstgevende Azië hoopten Hollandsche kooplieden op een kortere route via de Noordelijke IJszee. Willem Barentsz werd in 1594 aangewezen die route te vinden, maar hij stuitte steeds op weerbarstig poolijs en overleed in 1596 tijdens zijn derde expeditie.
Geen snellere handel met Azië dus. Maar de Noordelijke IJszee wemelde wel van de walvissen. De vette zeezoogdieren waren ook nog eens gemakkelijk te vangen. Dat bracht de Nederlandse commerciële walvisjacht snel op gang. In hoeverre waren deze jagers wetenschappers? Louwrens Hacquebord van het Arctisch Centrum te Groningen weet er meer van.
“De walvisvaarders verbleven maandenlang in de Arctis en waren ontzettend goede waarnemers. Ze kregen de opdracht om hun bevindingen te documenteren. Commandeur Zorgdrager beschreef in de 18e eeuw zelfs de maaginhoud van walvissen. Maar toetsingen en analyses bleven achterwege. In dat opzicht waren de walvisvaarders klassieke wetenschappers: beschrijvend en waarnemend.”
Dat waarnemende onderzoek bleef jarenlang populair, ook in andere landen. Om metingen internationaal te kunnen vergelijken, werd in 1882 een samenwerkingsverband opgericht: het eerste ‘International Polar Year’ (IPY). Vooral het KNMI hielp tijdens enkele expedities mee om internationale standaardmetingen te verkrijgen.
Tot dusver was dit alles nog geen moderne wetenschap, waarbij waarnemingen aan theorieën worden getoetst. Dat laatste werd door Nederlandse poolonderzoekers pas tijdens het tweede IPY, in 1932, gedaan. Gedragsbioloog en Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen was een van hen. Zijn visie op onderzoek naar het gedrag van dieren veranderde door de lokale bewoners, de Inuit. Deze jagers hadden geleerd alle gevoel van hun prooi te negeren, waardoor ze volgens Tinbergen scherper naar hun prooi keken – en betere jagers werden. Als Tinbergen diergedrag objectief wilde waarnemen, vond hij dat ook hijzelf alle mogelijke emoties van zijn proefdieren moest negeren.
Vijfentwintig jaar later, in 1957, miste Nederland het derde IPY, omdat de overheid tropenonderzoek belangrijker vond. Afgezien van wat losse expedities in de daaropvolgende jaren, bleef grootschalig poolonderzoek uit.
De Zuidpool werd in eerste instantie door Nederland genegeerd. Toch kwamen Nederlandse onderzoekers een paar jaar later heel even aan onderzoek in deze uithoek toe. Hun Belgische collega’s hadden hulp nodig om een Antarctisch onderzoeksstation te bemannen (of eigenlijk verdedigen), omdat toentertijd een onbemand station makkelijk in handen van de Russen viel. De Nederlanders verzamelden gegevens over het klimaat, het ijs en dieren. Maar dat duurde niet lang: na enkele jaren sneeuwde het station in en verdween in de ijskap.
In de jaren tachtig ging het Nederlandse Zuidpoolonderzoek pas echt van start. Wim Wolff, toenmalig directeur van het Rijksinstituut voor Natuur (nu het Wageningse onderzoeksinstituut Alterra), was als onderzoeksleider betrokken bij deze start. Volgens Wolff was het niet makkelijk een eigen onderzoeksstation te bouwen. “Nederland wilde voor een dubbeltje op de eerste rij. Dus maakten we gebruik van andermans stations.” De onderzoekers bestudeerden het effect van menselijke aanwezigheid, het klimaat, de geologie, stormvogels, de groei van planten en afbraak van pinguïnpoep. De expedities waren zo’n succes, dat jaarlijks Zuidpoolonderzoek in de jaren negentig een feit werd.
In de tussentijd kwam ook klimaatverandering om de hoek kijken. Omdat klimaatverandering zowel de Noord- als de Zuidpool raakt, is in 2001 het ‘Nederlands Polair Programma’ gestart. Volgens Maarten Loonen, dierecoloog aan het Arctisch Centrum van de Rijksuniversiteit Groningen, is klimaatverandering ‘nergens zo tastbaar’ als in de poolgebieden. “Ik kom er ieder jaar en zie het Noordpoolgebied ingrijpend veranderen.”, zegt Loonen. “Dat maakt poolonderzoek een topprioriteit.”
Daarom komt het goed uit dat nu, in 2007 het vierde IPY van start gaat. De Nederlandse initiatieven liegen er niet om. Louwrens Hacquebord stort zich op exploitatie van het bevroren land door oude culturen en Maarten Loonen wil weten hoe vogelziekten zich via de Noordpool verspreiden. Andere onderzoeken zijn gespitst op klimaatverandering; de omgang daarmee door inheemse volkeren en de invloed ervan op pooldieren en -planten, gletsjers en ijsschotsen. Kortom, er ligt veel poolonderzoek voor de boeg.
Ronald Veldhuizen