Dieren met karakter
Hoe minder te verliezen, hoe roekelozer

- Zoom
- Elke hond heeft een andere persoonlijkheid. Dat weet elke hondenbezitter.
Waaghals of angsthaas? Net als een mens kan een dier een eigen persoonlijkheid hebben, en die hangt vooral af van de vraag of het zich vroeg in zijn leven of juist later voortplant, stellen Groningse biologen.
Elke hondenbezitter zal het beamen. Dieren hebben een eigen persoonlijkheid, de ene hond is de andere niet. Er zijn ondernemende waaghalzen bij en trillende schepsels, die bij het minste of geringste onder de tafel schieten. Biologen kennen dit gegeven ook uit andere afdelingen van de dierenwereld. Inmiddels zijn er voor meer dan zestig diersoorten persoonlijkheidsverschillen tussen individuen beschreven, variërend van vissen en spinnen tot inktvissen en vogels.
Maar wat maakt het ene dier nou verlegen en de andere brutaal? Onderzoekers van de vakgroep theoretische biologie van de Rijksuniversiteit Groningen zochten het uit en publiceerden hierover in het tijdschrift Nature.
De biologen probeerden eerst een reden te bedenken waarom deze verschillende persoonlijkheden bestaan, want daar is iets geks mee aan de hand. Uit eerder onderzoek bleek namelijk dat dieren vaak relatief strikt zijn in hun gedrag. Zo verandert een koolmees gedurende zijn leven zijn houding niet erg veel meer. Hij is óf een angsthaas óf een lefgozer. En dat strookt eigenlijk helemaal niet zo goed met de evolutietheorie.
Een van de basisprincipes van de evolutietheorie is immers dat een soort zich steeds een beetje aan kan passen aan de veranderende omgeving zodat zijn overlevingskans groter wordt. Een individu kan dus beter een beetje flexibel zijn in zijn gedrag, want het kan het ene moment handig zijn om zich een beetje gedeisd te houden terwijl het later misschien beter voor hem is de waaghals uit te hangen. Maar dat is dus juist bij dieren niet het geval, zagen biologen in het veld, eens een lafbek altijd een lafbek.
“We hebben vooral gekeken naar risicogedrag. Binnen een soort zijn er individuen die agressiever zijn en die niet bang zijn voor een nieuwe omgeving. Maar er zijn ook individuen die liever niet zoveel risico nemen”, vertelt Max Wolf, eerste auteur van en lid van de vakgroep theoretische biologie van Franjo Weissing. “Dat zijn verschillen die we tussen dieren zien. Verder kunnen dieren zich ook vroeg of laat voortplanten.”
En dan wordt het interessant. “Het idee is simpel,” legt Wolf uit, “ Als individuen verschillen in hoeveel ze te verliezen hebben zullen ze ook verschillen in hun neiging riskant gedrag te vertonen. Wat een individu te verliezen heeft zijn de nakomelingen die hij verwacht te krijgen. Wanneer een dier laat begint met voortplanten zal dit individu meer te verliezen hebben dan een dier dat eerder begonnen is met voortplanten.”
De biologen vermoedden daarom dat risicogedrag en het moment wanneer een dier zich voortplant wel eens wat met elkaar te maken kunnen hebben en lieten op deze hypothese wat wiskunde los. Theoretische biologen proberen namelijk biologische vraagstukken op te lossen met wiskundige modellen. Deze modellen zijn gebaseerd op gegevens uit de natuur. Zo kan data van honderden generaties dieren door een computer berekend worden. Dat is een staaltje werk wat in het veld jaren in beslag zou nemen, al is het alleen maar omdat het gemiddelde dier vaak wel enkele weken nodig heeft voordat het zich heeft voortgeplant.
Wolf: “We hebben deze beide factoren, risicogedrag en vroeg of laat voortplanten in een model gestopt. En wat blijkt, degene die veel te verliezen heeft, omdat hij zich laat voortplant, neemt minder risico, in allerlei verschillende situaties, dan degene die weinig te verliezen heeft omdat hij al kinderen heeft voortgebracht. Verder werden degenen die al riskant gedrag vertoonden almaar roekelozer, terwijl de minder grote waaghalzen zich steeds voorzichtiger gingen gedragen.”
De onderzoekers lieten virtuele individuen zich vele generaties lang in de computer voortplanten. In het model hadden individuen de keuze zich vroeg of laat voort te planten en werden ze bloot gesteld aan riskante situaties, zoals bijvoorbeeld het verschijnen van een predator.
Wolf: “De uitkomsten uit ons model zijn natuurlijk maar een suggestie hoe de verschillende dierenpersoonlijkheden konden ontstaan. Nu moeten ecologen kijken of het in de praktijk ook zo werkt.” Want hoe mooi de resultaten ook zijn die uit een model rollen, de theoretisch bioloog moet nooit vergeten dat het in de natuur wel eens heel anders zou kunnen gaan.
Lemke Kraan
Max Wolf, Sander van Doorn, Olof Leimar, Franz J. Weissing, ‘Life-history trade-offs favour the evolution of animal personalities’, Nature, 31 mei 2007.