Grotten vol buidelbotten

Nieuw licht op uitgestorven Australische zoogdieren

De ontdekking waarmee het allemaal begon: het eerste complete skelet van de buidelleeuw Thylacoleo carnifex in Flightstar Cave, Nullarbor Plain. Foto Clay Bryce, Western Australian Museum.
Zoom
De ontdekking waarmee het allemaal begon: het eerste complete skelet van de buidelleeuw Thylacoleo carnifex in Flightstar Cave, Nullarbor Plain. Foto Clay Bryce, Western Australian Museum.

In drie Australische grotten zijn de botten van tientallen soorten grote buideldieren gevonden, waaronder de buidelleeuw. Ze leveren een schat aan informatie op over de natuur van honderdduizend jaar geleden en bewijzen onder meer dat het geen klimaatverandering was die deze soorten de das omdeed.

“We hebben de resten gevonden van 69 soorten zoogdieren, vogels en reptielen, waaronder wel acht nieuwe soorten kangoeroes”, verklaart paleontoloog Gavin Prideaux. Het team dat hij leidde, deed die vondsten in drie grotten in de droge, boomloze vlakte aan de zuidkust van Australië. De grotten werden in 2002 ontdekt, expedities volgden in de jaren erna, maar de resultaten van het onderzoek aan de botten zijn deze week pas bekendgemaakt in Nature. Het meest aansprekende fossiel is het puntgave skelet van een jonge buidelleeuw, dat al wel eerder in de publiciteit kwam. Voor de wetenschappers zijn andere fossielen echter nóg interessanter. Prideaux: “Drie achtereenvolgende expedities hebben honderden fossielen opgeleverd, die zo goed bewaard zijn gebleven dat ze een soort ‘Steen van Rosetta’ vormen voor het Australië van de IJstijd.” De Steen van Rosetta is een meertalig gegraveerd stuk steen van twee eeuwen voor Christus, dat Egyptologen in de negentiende eeuw eindelijk in staat stelde hiëroglyfen te ontcijferen. Prideaux kan dankzij de hele skeletten uit de grotten veel beter begrijpen waar de losse botjes bijhoren die al eerder op andere plaatsen waren gevonden. Van veel diersoorten was namelijk nog nauwelijks iets bekend, nu in één klap heel veel. Onderzoeker John Long: “We verzamelden bij iedere expeditie resten van honderden dieren en we waren verrukt over de geweldige gaafheid van de fossielen. Veel skeletten zijn helemaal compleet. Wij paleontologen zijn het merendeel van de tijd bezig met pogingen om uitgestorven dieren te herkennen en te reconstrueren aan de hand van kleine stukjes fossiel bot, maar plotseling werden we overladen met informatie.” “De oudste dieren zijn ongeveer een half miljoen jaar geleden in de grotten gevallen”, aldus onderzoeksleider Prideaux. Van de fossielen is het merendeel tussen de tweehonderd- en vierhonderdduizend jaar oud, maar prima geconserveerd, dankzij het constante, droge klimaat. De grote botten zijn van onfortuinlijke dieren die door een nauwe opening een meter of twintig omlaag vielen. Er lagen echter ook veel kleine botjes, en die zijn volgens de onderzoekers mogelijk afkomstig uit braakballen van uilen of valken. Prideaux: “Tot onze verbazing bleek uit hun resten dat het klimaat destijds ongeveer hetzelfde was als nu, hoewel de regio een meer gevarieerde plantengroei moet hebben gehad om zoveel verschillende planteneters te kunnen voeden.” Onder die planteneters waren een reuzenkangoeroe van tweehonderd kilo, twee soorten boomkangoeroes en een wallaby met benige wenkbrauwen, waarvan veel skeletten zijn gevonden. Het klimaat van nu is hard: het is vooral erg droog op de Nullarbor Plain, zoals het gebied heet, naar het feit dat er geen bomen staan (arbor is Latijn voor boom). Toch moeten die er vroeger dus wel zijn geweest. “De beste verklaring voor de verandering is vuur”, meent Prideaux. “Veel bomen en struiken die vandaag de dag alleen nog in kleine gebiedjes aan de randen van de vlakte groeien, zijn heel geschikt als voedsel voor planteneters, maar ze zijn ook erg gevoelig voor vuur. We denken dat ze ooit overal in dit gebied voorkwamen.” Bijna alle grote buideldieren die in de grotten aan hun einde kwamen, behoren tot soorten die nu niet meer bestaan. Over de oorzaak daarvan zijn al een tijd lang twee theorieën in omloop. De mens zou schuldig kunnen zijn of de overgang naar een veel droger klimaat werd de dieren fataal. Die laatste theorie kan volgens het team van Prideaux nu resoluut naar de vuilnisbelt worden verwezen, want de gevonden dieren leefden al in een droog gebied. Het is veel waarschijnlijker dat mensen, die zich ongeveer veertigduizend jaar geleden op het continent vestigden, door jacht en vooral door het stichten van branden allerlei soorten hebben uitgeroeid. Elmar Veerman Gavin J. Prideaux e.a.: ‘An arid-adapted middle Pleistocene vertebrate fauna from south-central Australia’, Nature, 25 januari 2007