Hoe hard je ook oefent, nooit voer je een stuk muziek of een sportbeweging twee keer precies hetzelfde uit, zoals een robot of een video-recorder dat wel kan. Die onvermijdelijke variatie is er om je uitvoering op peil te houden, suggereert een experiment met vinken die gedwongen worden een toontje lager (en hoger) te zingen.
Als Bengaalse vinkenman moet je het hebben van je aangeboren zangtalent, en heel veel repeteren, als je een beetje indruk wilt maken op de vrouwtjes. De vinkenslag, een riedel van tjielpjes, heeft een vaste opbouw. De precieze invulling van die structuur leert een vink alleen met veel oefenen.
Maar zelfs als zo'n vink zijn riedeltje al lang ingestudeerd heeft, zit er nog altijd variatie in: het ene tjielpje is een half toontje hoger, lager, langer of korter dan normaal. Dat komt niet alleen doordat de vinkenzangmachinerie niet perfect is, vermoedden Evren Tumer en Michael Brainard van de University of California in San Francisco. Door de kleine afwijkingen kan de vink de kwaliteit van zijn lied ook op peil houden.
Dat klinkt paradoxaal, maar het werkt als volgt: de luistert vink voortdurend zijn eigen zang af, en vergelijkt het resultaat met de ideale vinkenslag, zoals die in zijn kopje is opgeslagen. Door te luisteren hoe kleine variaties uitpakken, kan de vink de aansturing van zijn stemorganen bijstellen. Deze voortdurende kwaliteitsmonitoring houdt de vinkenslag in topconditie, ook als de stemorganen ontstemmen door veroudering of groei.
Tumer en Brainard lieten zien dat het inderdaad zo werkt, met een wat pesterig experiment, waarin de feedback gemanipuleerd wordt. Bengaalse vinken die hun riedeltje perfect beheersten, kregen steeds een storende ruis horen als één bepaalde noot meer dan 1 procent te hoog gezongen werd.
Om die negatieve feedback te vermijden gingen de vinken de bewuste noot steeds lager zingen, meestal al binnen enkele uren. Omgekeerd werkte het ook: als de vinken ruis hoorden als ze de bewuste lettergreep meer dan 1 procent te laag zongen, ging de frequentie juist omhoog. Als de onderzoekers de bovengrens opnieuw aanpasten, viel de verlaging op te voeren tot wel 300 Hz, een hele toon in muziektermen, en buiten het bereik van de rest van het lied. De rest van de vinkenslag bleef onbeïnvloed door de storingen.
De resultaten zijn volgens de onderzoekers duidelijk bewijs dat de vinken feedback op kleine afwijkingen heel serieus nemen. Het is de basis voor leren door trial-and-error, stellen ze, zelfs bij volleerde vinken die ogenschijnlijk niets meer te leren hebben.
"Ik vind het een geweldig artikel", mailt vogelzang-expert Hans Slabbekoorn van de Universiteit Leiden, die in 2003 liet zien dat koolmezen hoger en sneller gaan zingen in de buurt van verkeerslawaai. "Het legt een mechanisme bloot voor aanpassingen op volwassen leeftijd, waar onze huidige kennis meestal aannam dat er weinig meer te veranderen viel." Dat de bewuste noot tot ver onder of boven zijn normale waarde op te stuwen is, vindt Slabbekoorn 'spectaculair'. "Het zou ook een belangrijke verklaring kunnen zijn voor hoe vogels zoals koolmezen zich kunnen aanpassen aan verkeerslawaai", vermoedt hij.
Bruno van Wayenburg