Dwangmatige muizen

Uitschakeling gen zorgt voor obsessief gedrag

Arme muis, zonder Sapap3-gen. [Foto: Jing Lu, Jeff Welch and Guoping Feng]
Zoom
Arme muis, zonder Sapap3-gen. [Foto: Jing Lu, Jeff Welch and Guoping Feng]

Foto's van muizen met kale plekken, bloederige neuzen en een angstige blik prijken deze week in het tijdschrift Nature. Volgens de auteurs van het bijbehorende artikel lijden ze aan iets wat verdomd veel lijkt op een menselijke dwangneurose. Dat is niet leuk voor de muizen, maar biedt hoop voor de mens.

Dat voortdurend moeten wassen van de handen, herhaaldelijk controleren of het gasfornuis uit staat of dat constante loopje naar de voordeur om te zien of die wel echt goed is gesloten. Een mens zal het waarschijnlijk moeten ervaren om te begrijpen hoe het is om met een obsessief-compulsieve stoornis te leven. Beter bekend als dwangneurose. Wetenschappers zijn niet zo van het zelf ervaren. Zij duiken liever in het brein van een ander, om erachter te komen hoe een geestesziekte werkt. Maar tot dusver zonder veel succes als het gaat om de obsessief-compulsieve stoornis. Veel meer dan ‘tja het heeft iets te maken met de hersenstoffen serotonine en dopamine’ hebben de wetenschappelijke speurtochten tot nu toe niet opgeleverd. Maar nu zijn daar Jeffrey Welch van het ‘Duke University Medical Center’ uit het Amerikaanse Durham en consorten. Bij toeval vonden ze een gen en bijbehorend eiwit die iets van doen lijken te hebben met dwangneuroses. Het gen draagt de naam Sapap3 en de gelijknamige eiwitten zijn vooral te vinden in het striatum, een hersengebied dat onder meer betrokken is bij de coördinatie van bewegingen. Deze week publiceren de onderzoekers hun ontdekking in het vooraanstaande tijdschrift Nature. Muizen bij wie het gen was uitgeschakeld, poetsten zichzelf obsessief en zelfs tot bloedends toe. Ook waren ze angstiger dan soortgenoten aan wie niet genetisch was gesleuteld. Wanneer de hersenen van de proefdieren enkele dagen achter elkaar werden ingespoten met het eiwit Sapap3, nam het poetsen af en werden ze minder schichtig. Ook reageerden ze goed op middelen die zorgden voor een verhoogde hoeveelheid serotonine in de hersenen. Mensen die last hebben van een dwangneurose krijgen vaak antidepressiva voorgeschreven, die een vergelijkbare werking hebben. Helaas bieden die voor veel patiënten geen soelaas en zijn de bijwerkingen geen pretje. Maar hoewel de auteurs van het Nature-artikel goed werk hebben verricht, is een echt medicijn tegen de obesessief-compulsieve stoornis nog ver weg. In een beschouwend artikel in hetzelfde tijdschrift benadrukt Steven Hyman van de Amerikaanse ‘Harvard Medical School’ nog eens de complexiteit van een dergelijke geestesziekte. Behalve het striatum zijn ook de hersenschors en de thalamus erbij betrokken. Bij zo’n aandoening lijkt het nooit te gaan om een defect van slechts één gen, zegt Hyman. Die zit ingewikkelder in elkaar, omvat meerdere genen en complexe onderliggende processen. En dan blijft nog altijd het feit: een muis is geen mens. Het excessieve poetsen van de proefdieren lijkt natuurlijk wel een beetje op het overdreven handen wassen van mensen met een dwangstoornis. Maar of de dieren ook de bijbehorende dwangmatige gedachtes hebben, is giswerk. Daarbij lijken de hersenen van een muis wel veel op die van een mens, maar helemaal hetzelfde zijn ze niet. Maar, een stap is een stap dat is zeker iets wat Jeffrey Welch en de zijnen hebben gezet, vindt de man van Harvard. Well done dus, maar vooral: carry on. Remy van den Brand Jeffrey M. Welch e.a.: ‘Cortico-striatal synaptic defects and OCD-like behaviours in Sapap3-mutant mice’, Nature, 23 augustus 2007