Absoluut gehoor ontstemt met de jaren
Kritiek op webonderzoek naar mysterieuze muzikale vaardigheid

- Zoom
- Vioolgenie Maxim Vengerov. Talent en geploeter zijn vereist om net zo te worden, maar geen absoluut gehoor.
Een absoluut gehoor ontstemt met het klimmen der jaren, blijkt uit een groot Amerikaans web-onderzoek naar deze zeldzame vaardigheid om toonhoogten te kunnen benoemen. Maar een Nederlandse muziekonderzoeker kraakt de conclusies.
Rond het absoluut gehoor hangt een zweem van magie. De vaardigheid wordt geassocieerd met buitengewone muzikaliteit, met het moeiteloos naspelen van de meest ingewikkelde melodieën of akkoorden en zelfs met paranormale gaven. Voor muzikanten die dit godsgeschenk ontberen, is er dan ook een complete cursusindustrie die het 'perfecte gehoor' belooft in ruil voor veel oefenen en euro's.
Toch is het absoluut gehoor niet meer of minder dan het direct kunnen benoemen (of zingen) van een willekeurige muzieknoot, zonder daarvoor een eerder gehoorde noot als referentie te gebruiken. Handig, maar zeker niet onmisbaar, voor een fraaie muzikale carrière en in sommige gevallen zelfs storend.
Voor muziekwetenschappers is het absoluut gehoor een bron van debat. Zo wordt er al jaren gediscussieerd in hoeverre het talent genetisch bepaald is of juist aan te leren. Een nieuwe aanpak is die van onderzoekers E. Alexandra Athos en collega's van de University of California in San Francisco. Zij deden een web-onderzoek in plaats van de gebruikelijke testjes met op de faculteit geronselde psychologiestudenten.
Geïnteresseerde websurfers kregen een reeks kale synthesizer-tonen en pianotonen te horen. Ze moesten op een afbeelding van een pianotoetsenbord aangeven welke toon ze hoorden. Ik zelf, niet in het bezit van een absoluut gehoor, bracht er niets van terecht, dus in zoverre werkte de test uitstekend.
Eén voordeel van de web-aanpak bleek meteen al, schrijven de onderzoekers in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS. Maar liefst 2.213 mensen deden mee, waarvan 981, bijna de helft, een absoluut gehoor had. Dat is veel meer dan in het werkelijke leven, waar hoogstens een op de 50 mensen een absoluut gehoor heeft. Ook bleek uit de gegevens dat het bezit van een absolute gehoor een alles-of-niets-kwestie is: je hebt het helemaal, of je hebt het helemaal niet.
Wat overigens niet betekent dat absoluut gehoorbezitters nooit fouten maken. Juist over die fouten verschaft de grote hoeveelheid gegevens nieuwe inzichten. Zoals individuele absoluut-gehoorbezitters al meldden, neemt het aantal fouten toe met de leeftijd, vooral boven de dertig. Vreemd genoeg gaan de fouten bijna altijd dezelfde kant op: omhoog.
Foutenmakers horen bijvoorbeeld in plaats van een F een Fis, wat een halve toon hoger is. Volgens de Amerikaanse onderzoekers is dat te verklaren door het oprekken van het 'basilair membraan' dat in het 'slakkenhuis' in het binnenoor zit. De trilhaartjes op dat membraan zijn gevoelig voor verschillende toonhoogten in het geluid. Hoe dieper in het slakkenhuis, hoe hoger de frequentie die ze oppikken, en doorgeven aan de hersenen. Maar doordat het membraan langzaam oprekt, terwijl de trilhaartjes aangesloten blijven op dezelfde hersencellen, ontstemt dit mechaniek geleidelijk.
Ook blijkt dat mensen meer fouten maken met de zwarte toetsen van de piano dan de witte. De allermoeilijkste toon bleek de Gis, die vaak aangezien wordt voor een A, een halve toon hoger. Gek genoek bleek de Ais, een halve toon hoger gelegen dan de A, als enige toon vaak lager ingeschat te worden, dus ook als een A. Volgens de auteurs is deze 'magnetische aantrekkingskracht' van de A te verklaren doordat de A de standaard-stemtoon is in de westerse muziek.
Henkjan Honing, muziekonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam, vindt het goed nieuws dat een web-onderzoek geaccepteerd is voor een prestigieus tijdschrift als PNAS. 'Ik ben daar een groot voorstander van', zegt Honing, die zelf web-experimenten uitvoert over het ervaren van tempo en ritme in muziek. 'Maar veel onderzoekers en tijdschriften zijn er principieel tegen, omdat de gegevens gemakkelijk gemanipuleerd kunnen worden. Ik denk dat dat in de praktijk wel meevalt.'
Maar verder is Honing niet onder de indruk van de Amerikaanse gegevens. 'Ik ben erg verbaasd dat het gepubliceerd is', zegt hij zelfs. Zonder de belangrijke onderzoeken in dit gebied te citeren gaan de onderzoekers er vanaf het begin al vanuit dat het absoluut gehoor aangeboren is, en zien ze de alles-of-niets-aard van het verschijnsel als bewijs dat het absoluut gehoor door één of hoogstens een paar genen bepaald wordt.
In werkelijkheid lijkt het er veel meer op dat het absoluut gehoor wel aangeleerd kan worden door intensieve muzikale training, maar alleen door kinderen jonger dan zes jaar, zegt Honing. Zes jaar is, mogelijk niet toevallig, ook ongeveer de grens waarboven een taal niet meer moeiteloos wordt opgepikt. Dat het absoluut gehoor meer voorkomt komt in bepaalde families, hoeft bovendien geen teken van een erfelijke invloed te zijn. Dit zijn misschien ook gewoon families met een muzikale traditie, waar de kinderen al vroeg veel muziek horen en spelen.
Ook de verklaring voor het ontstemmen van het absoluut gehoor met de jaren vindt Honing niet bevredigend. 'Het zijn een beetje after-the-fact-interpretaties, in plaats van hypotheses die van tevoren gesteld zijn, en door de verzamelde feiten getoetst', kritiseert hij. Zo zou het ontstemmen met de jaren ook kunnen komen doordat de standaard-A vroeger lager in frequentie was dan tegenwoordig.
Niet voor niets waarschuwt een bekend wetenschappelijk artikel tegen al te eenzijdige conclusies, zegt Honing. De titel daarvan luidt 'Absolutistische modellen van het absoluut gehoor zijn absoluut misleidend', En daar is hij het absoluut mee eens.
E. Alexandra Athos, Barbara Levinson, Amy Kistler, Jason Zemansky, Alan Bostrom, Nelson Freimer, and Jane Gitschier, 'Dichotomy and perceptual distortions in absolute pitch ability', Proceedings of the National Academy of Sciences, vrijgegeven op 27 augustus 2007