Het moet ongeveer 53 miljoen jaar geleden zijn geweest dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van nijlpaarden en walvissen rondliep, vertelt Ewan Fordyce op een symposium over zeezoogdieren in Melbourne, Australië. Fordyce is paleontoloog aan de universiteit van Otago, Nieuw-Zeeland,en hij werkt onder meer aan walvisfossielen. "Het duurde tot 34,5 miljoen jaar geleden voor er opeens veel soorten walvissen verschenen, menen we uit de fossielen te kunnen afleiden. De groepen die we nu nog kennen, de tandwalvissen en de baleinwalvissen, zijn toen ontstaan."
Levende voorbeelden van tandwalvissen zijn de potvis, de orka en alle dolfijnen. Baleinwalvissen, zoals als de blauwe vinvis en de bultrug, filteren hun voedsel uit het water met beenplaten, die ontstaan uit haarachtige structuren. Als embryo hebben ze eventjes tanden, maar die verdwijnen voor de geboorte al.
Waarom vond die soortvorming 34,5 miljoen jaar geleden zo plotseling plaats? Fordyce vermoedt dat klimaatverandering de aanzet gaf. Het werd wereldwijd kouder, waardoor het water meer zuurstof kon bevatten en dus voedselrijker werd. Dat schiep ruimte voor nieuwe soorten, die ieder een eigen plek in het ecosysteem konden claimen.
De oudste walvisfossielen zijn van de soort Llanocetus, die omstreeks 34 miljoen jaar geleden voor de Antarctische kust moet hebben geleefd. Wat het dier precies at is onduidelijk. Misschien filterde hij zijn voedsel uit het zeewater, maar dan wel met zijn tanden, en niet met baleinen, zoals veel nu levende walvissen. Van de archeoceten, de groep waar dit dier bijhoorde, is verder niet veel bekend. Fordyce heeft resten (soms niet meer dan enkele tanden) van vijf soorten, 28 tot 26 miljoen jaar oud. Tot voor kort stonden ze bekend als voorouders van de moderne walvissen, maar nu lijkt het er meer op dat hun tak jammerlijk is uitgestorven.
Ook een andere doodlopende weg aan de stamboom is pas een jaar bekend. De familie van de baleinwalvissen heeft leden zonder baleinen gehad. Boegbeeld van deze groep getande walvissen is Janjucetus, een jager met grote ogen die uiterlijk wel wat op een orka leek. De eerste en vooralsnog enige schedel van deze soort werd vorig jaar gepresenteerd door Erich Fitzgerald van de Monash universiteit in Melbourne. Fitzgerald heeft resten van "veel meer" soorten, zegt hij, voor een groot deel nog onbeschreven. Ook over de oorzaak van hun uitsterven, 20 tot 23 miljoen jaar geleden, is niets met zekerheid bekend. Klimaatverandering wordt wel als mogelijke oorzaak genoemd.
Het is trouwens opvallend, zeggen Fordyce en Fitzgerald, dat voor de Australische kust totaal andere leden van deze groep leefden dan in de wateren rond Nieuw-Zeeland. Fitzgerald: "We vinden op beide plaatsen allerlei soorten, maar tot nu toe geen enkele overlap. Raadselachtig, want je zou denken dat het voor deze dieren eenvoudig was om zich over het hele gebied te verspreiden." Ook in andere delen van de wereld zijn resten van deze walvisgroep gevonden, maar die zijn nog zo weinig bestudeerd, dat ze nog niet in enige stamboom voorkomen.
De rol van de getande familieleden van de baleinwalvissen lijkt na hun uitsterven aanvankelijk te zijn overgenomen door de potivsachtigen, vertelt Oliver Hampe van de Humboldt-universiteit in Berlijn. Hij heeft in zijn land fossielen gevonden van verschillende soorten, met scherpe tanden die sterk versleten zijn. "Vaak zien we dat er stukken glazuur afgesprongen zijn, vermoedelijk doordat de kaken met grote klappen op elkaar sloegen als zo'n dier mishapte." Hij leidt daaruit af dat deze oerpotvisssen op groot wild jaagden.
De vroege potvissen hadden niet zo'n enorme kop als de bestaande potvis, maar leken, alweer, op de huidige orka. Waarom overleefde de potvis wel en de rest van zijn familie niet? Vanwege verdringing door de voorouders van de orka, vermoedt Hampe. Die verschenen zo'n negen miljoen jaar geleden op het toneel. De potvis ontsprong de dans doordat hij een heel aparte leefstijl ontwikkelde, kilometers diep jagend op reuzeninktvissen. De dwergpotvis en de kleinste potvis zijn ook nog in leven, maar vormen geen concurrentie voor de orka.
De rol van grote jager aan het wateroppervlak lijkt dus minstens vier keer te zijn ingevuld. Eerst waren de archeoceten de baas, toen hun nazaten de 'getande baleinwalvissen', vervolgens de potvisachtigen en nu de orka. Maar het is goed mogelijk dat het hele verhaal nóg complexer in elkaar zit, want er zijn nog steeds allerlei vraagtekens. Niet alleen bij gebrek aan informatieve fossielen, overigens. Tijd en geld zijn een groter probleem voor onderzoekers van oerwalvissen.
Zo zijn aan de kust van het Mexicaanse schiereiland Baja California veel walvisschedels en -skeletten bekend die nog niet uit de rotsen gehaald zijn, vertelt Gerardo González Barba uit La Paz. Gelukkig is dat een verlaten gebied, waar commerciële fossielenjagers nooit komen.
In Amerikaanse en Australische musea zijn ze een stapje verder: daar liggen honderden stukken steen met walvisfossielen opgeslagen. De miljoenen jaren oude botten moeten wachten tot iemand tijd heeft om ze met engelengeduld uit hun omhulsel te bevrijden en netjes te beschrijven. Dat is vaak een hele klus. Het kostte Erich Fitzgerald niet minder dan drie jaar om de schedel van zijn Janjucetus te prepareren. Geen wonder dus dat de stamboom der walvissen nog steeds veel vraagtekens bevat.
Elmar Veerman
Marine mammals in deep time: diversity, distribution and evolution. Symposium in Melbourne, 13 april 2007