Homogenetica

Hoe handhaaft homoseksualiteit zich in de genen?

Niet bevorderend voor het voortplantingssucces, maar ook niet tegennatuurlijk.
Zoom
Niet bevorderend voor het voortplantingssucces, maar ook niet tegennatuurlijk.

Vrijen met iemand van het zelfde geslacht levert geen kinderen op. Hoe kan een genetische aanleg voor homoseksualiteit zich dan toch handhaven? Twee evolutionair biologen zetten de mogelijkheden op een rij en doen suggesties voor toekomstig onderzoek.

Homoseks is zondig, vinden sommige mensen. Dat is een moreel oordeel, waar per definitie geen wetenschappelijke bewijzen voor of tegen bestaan. Er zijn ook mensen die homoseksualiteit betitelen als 'tegennatuurlijk'. Daarover kan onderzoek wel uitsluitsel geven, en dat heeft het ook al gedaan. Seks tussen geslachtsgenoten komt bij allerlei diersoorten voor: van apen en schapen tot pinguïns en vleermuizen. De neiging daartoe is voor een deel erfelijk bepaald, dus het is moeilijk vol te houden dat dit tegennatuurlijk zou zijn. Maar dat werpt wel een nieuwe vraag op: hoe kan de aanleg voor homoseksualiteit, die de kans op nakomelingen duidelijk verkleint, zich handhaven in een soort? Oftewel: waarom worden 'homogenen' niet uitgeselecteerd in de evolutie? Eerst even een slag om de arm: overduidelijke 'homogenen' zijn tot nu toe niet gevonden, maar er zijn wel stukken DNA geïdentificeerd die significant vaker voorkomen bij homo's dan bij hetero's. Genetisch onderzoek bij mens en dier lijkt een vruchtbare weg om meer te weten te komen over de selectiemechanismen die homoseksualiteit in stand houden, schrijven evolutionair biologen Sergey Gavrilets en William Rice in het vakblad Proceedings of the Royal Society B. Er moeten verborgen voordelen zitten aan de genen die homoseksualiteit in de hand werken, stelt het duo, anders had de evolutie er korte metten mee gemaakt. In de wetenschappelijke literatuur zijn drie mogelijke mechanismen geopperd, schrijven ze. Eén daarvan verwijzen ze direct naar het rijk der fabelen: het idee dat homo's (m/v) hun directe familie zó effectief ondersteunen, dat hun ouders, broers en zussen meer kinderen met succes kunnen grootbrengen. Dat zou minimaal één volwassen nakomeling extra moeten opleveren, anders is het totale saldo negatief. Voor zo'n forse voortplantingsbonus zijn bij mensen noch dieren bewijzen te vinden, aldus de auteurs. Verklaring twee gaat ervan uit dat een 'homogen' alleen tot homoseksualiteit leidt als iemand er twee kopieën van heeft, en iemand extra aantrekkelijk of vruchtbaar maakt wanneer hij het in enkelvoud heeft. Zolang een dergelijke genetische variant niet heel algemeen is, zullen er veel meer mensen zijn met één kopie dan met twee, en hoeft het voordeel daarvan maar gering te zijn om het grote voortplantingsnadeel op te heffen bij de enkeling die twee kopieën heeft. Het derde mechanisme dat wel eens wordt genoemd, houdt in dat een genetische variant die bij het ene geslacht de voortplanting nadelig beïnvloedt, bij het andere geslacht juist voordelig is. Als het voordeel bij de ene sekse groter is dan het nadeel bij de andere, heeft zo'n variant bestaansrecht. Voor mensen lijkt zoiets aan de hand: vrouwen met een of meer homomannen in de familie krijgen volgens onderzoek uit 2004 gemiddeld iets meer kinderen dan vrouwen met alleen hetero's als directe verwanten. Welk mechanisme daarachter steekt, is echter nog onbekend. Psychische druk zou ook een rol kunnen spelen. Gavrilets en Rice besloten de twee plausibele scenario's in formules te vatten en te kijken of daar toetsbare voorspellingen uit zouden rollen. Gewoon eraan rekenen, zonder waardeoordeel. Dat had blijkbaar nog niemand gedaan. Het blijkt allemaal nog vrij ingewikkeld te zijn, omdat ze de formules hebben uitgebreid met een scenario waarin een 'homogen' op het X-chromosoom ligt - waarvan vrouwen er twee van hebben en mannen maar één -, met een scenario waarbij de genen van de moeder de geaardheid van haar kinderen beïnvloeden en met combinaties van die mogelijkheden. Eigenlijk rekenen de twee auteurs op dezelfde manier aan de genetica van homoseksualiteit als er aan erfelijke ziektes wordt gerekend. Misschien zijn ze daarom wel de eersten. Voor je het weet wordt je gezien als iemand die homofilie als een ziekte beschouwt. Deze twee onderzoekers spreken zich daar verder niet over uit; ze bekijken het fenomeen puur door een evolutionaire bril. Wat levert hun aanpak nu op? In ieder geval de constatering dat genen die homoseksualiteit beïnvloeden zich in theorie gemakkelijk kunnen handhaven en verspreiden. Verder is het vooral een wiskundig verhaal, dat vertelt onder welke voorwaarden het ene selectiemechanisme waarschijnlijk is, en onder welke voorwaarden het andere. Bijvoorbeeld: als een 'homogen' op het X-chromosoom ligt, kan het zich waarschijnlijk handhaven doordat het vrouwen voordeel oplevert. Het is aan anderen om de theorie aan de praktijk te toetsen, vinden theoretici Gavrilets en Rice. Dat hoeft niet per se bij mensen: "Het feit dat homoseksualiteit algemeen lijkt te zijn bij veel andere soorten, zou goede mogelijkheden moeten bieden", schrijven ze. Keuze genoeg, blijkt op de website answers.com. Daar is een lijst te vinden van 478 diersoorten waarvan homoseksueel gedrag is beschreven. Elmar Veerman Sergey Gavrilets en William R. Rice: 'Genetic models of homosexuality: generating testable predictions', Proceedings of the Royal Society B, 26 september 2006