Camouflage is populair in de dierenwereld. Veel spinnen, insecten, vogels en andere dieren hebben kleuren en vormen die erg lijken op de boomschors of de bladeren waarop ze leven. Dat beschermt ze tegen de blikken van hongerige roofdieren en argeloze prooien. Zolang ze maar op die passende ondergrond blijven, uiteraard. Op een wit vel papier valt een groene bladluis juist op.
Er zijn ook dieren die een stapje verder gaan. Zij kunnen hun kleuren aanpassen aan de omgeving. Koppotigen, dat zijn inktvissen en octopussen (nee, dat is niet hetzelfde) zijn daarin absolute meesters.
De handige waterbewoners danken dit talent aan chromatoforen: zakjes rode, gele en bruine kleurstoffen in de buitenste laag van hun huid, die omgeven zijn door spiertjes. Trekken die spiertjes samen, dan wordt het gekleurde gebiedje kleiner. Samen veranderen alle chromatoforen de kleur van het hele beest, desgewenst met een resultaat dat precies lijkt op de achtergrond. De inktvis of octopus maakt zich er nagenoeg onzichtbaar door.
Zulke geperfectioneerde camouflage is natuurlijk een fantastische manier om uit de kaken van roofdieren te blijven, maar het heeft ook een nadeel. Soortgenoten zien je niet staan, en dat verkleint de kans op een gezellig onderonsje of een succesvolle bewaking van je territorium. Wat je eigenlijk zou moeten hebben is een signaalsysteem dat alleen soortgenoten opmerken, terwijl het roofdieren volledig ontgaat.
Het ziet ernaar uit dat de koppotigen daarvoor een oplossing hebben gevonden, schrijven Lydia Mäthger en Roger Hanlon deze week in Biology Letters. Voor de dieren is namelijk niet alleen de golflengte (dus de kleur) van licht belangrijk, maar ook de golfrichting, de polarisatie van licht. Inktvissenogen zien het verschil tussen horizontaal en verticaal golvend licht, terwijl dat er voor onze ogen precies hetzelfde uitziet.
Het was al bekend dat inktvissenhuid gepolariseerd licht uitzendt. Onder de chromatoforen zit een laag waarin zich reflecterende deeltjes bevinden. De polarisatierichting van het licht dat ze uitstralen, is afhankelijk van de hoek waarmee je ernaar kijkt. Aangezien de inktvis de deeltjes actief kan bewegen, kan hij ook invloed uitoefenen op het licht dat hij terugkaatst. Zou hij daarmee lichtsignalen aan soortgenoten kunnen doorgeven? Het zou alleen kunnen, als de zakjes kleurstoffen daarbij niet hinderen, bedachten Mäthger en Hanlon.
Ze hebben daarom experimenten gedaan met stukjes inktvishuid. En inderdaad: de variabele pigmentvlekken verstoren de polarisatie van het licht van de reflecterende laag niet. “Voor zover wij weten, presenteren we hier het eerste anatomische bewijs voor een 'verborgen communicatiekanaal' dat verscholen kan blijven achter camouflerende pigmentvlekken”, schrijven ze. Ze zijn dus de eersten die aantonen dat de vlekken van een inktvis de boodschap van de huid daaronder niet hoeven te verstoren. Daarmee staat nog niet vast, dat de dieren inderdaad geheime lichtsignalen uitwisselen. Dat moet verder onderzoek aan levende koppotigen in de natuur uitwijzen.
Elmar Veerman
Lydia Mäthger en Roger Hanlon: 'Anatomical basis for camouflaged polarized light communication in squid', Biology Letters, 20 september 2006