Was er al eerder iets mis?

De oorlogstrauma’s van halve tweelingen

De Vietnamoorlog is al lang voorbij, maar de geestelijke gevolgen blijven.
Zoom
De Vietnamoorlog is al lang voorbij, maar de geestelijke gevolgen blijven.

Heftige oorlogservaringen schudt niemand zomaar van zich af. Maar waarom kan de één zijn leven weer oppakken en blijft de ander gevangen in een web van angst en depressie? Onderzoek aan thuisgebleven tweelingbroers lijkt te vertellen dat de kiem van posttraumatische stressstoornis vooraf al tussen de oren zit.

“Rattattattattat, jij bent dood!” Zelfs de meest pacifistische ouders slagen er zelden in om hun kroost te weerhouden van verderfelijke oorlogsspelletjes. Vooral jongetjes vinden het nu eenmaal leuk om te doen alsof ze hordes woestelingen neermaaien met een welgemikt salvo van hun machinegeweer. Vechten in een echte oorlog is natuurlijk heel andere koek. Dood en doodsangst, verminking en vermissing: daar is niets leuks aan, dat is een aanslag op je geestelijke gezondheid. Maar bij de één komen de ervaringen veel harder aan dan bij de ander. Waar ligt dat aan? Het besef dat oorlog diepe geestelijke wonden slaat, begon na de Vietnamoorlog (1957 – 1975) pas goed door te sijpelen in het collectieve bewustzijn. Talloos zijn de onderzoeken naar de wederwaardigheden van veteranen, en daaruit komt een somber beeld naar voren. Aan Amerikaanse kant zijn niet alleen bijna zestigduizend doden en ruim honderdvijftigduizend gewonden gevallen, maar werden ook honderdduizenden mensen opgezadeld met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Rond 1987, twaalf jaar nadat de Verenigde Staten het Vietnamese strijdtoneel verlieten, voldeden 479 duizend van de 3,14 miljoen ex-soldaten aan de criteria voor deze aandoening. Ze waren angstig, gewelddadig en ongelukkig. Een dikke 1,2 miljoen andere Vietnamgangers hadden ‘serieuze klinische gevolgen van stress’ ervaren, aldus het Amerikaanse ministerie voor Veteranenzaken, maar waren er inmiddels weer overheen. Hoe het komt dat de één zoveel zwaarder lijdt onder de stress van het slagveld, is ondanks al het onderzoek nog niet duidelijk. Moet je er aanleg voor hebben, en zo ja, is die vatbaarheid vooraf te herkennen? Eigenlijk zou je soldaten vóór hun gruwelijke ervaringen en erna door de testmolen moeten halen om daarover meer te weten te komen. Misschien gebeurt dat tegenwoordig ook wel, want er zijn sinds enkele jaren weer meer dan genoeg militairen die vreselijke dingen meemaken. Een groep onderzoekers van het Veterans Affairs Medical Center in het Amerikaanse Manchester loste het desondanks anders op: zij onderzochten 49 eeneiige tweelingen, waarvan de ene broer in Vietnam had gediend, terwijl de ander veilig thuis was gebleven. Van deze veteranen hadden er 25 de diagnose PTSS en de andere 24 niet. Neurologische verschillen tussen die twee groepen soldaten zouden niets over aanleg zeggen, want die zouden evengoed het gevolg van de stoornis kunnen zijn. Maar verschillen tussen de groepen thuisblijvende broers zouden verschillen in aanleg voor PTSS wél kunnen onthullen, redeneerden Tamara Gurvits haar collega’s. En inderdaad, schrijven ze in het meinummer van zielknijpersvakblad Archives of General Psychiatry, zulke verschillen waren er. De broers van de PTSS-patiënten scoorden lager op een aantal testjes voor ‘neurological soft signs’, verborgen onvolkomenheden in de hersenen. Dat wil zeggen: ze kregen 45 simpele taakjes, zoals een figuur natekenen, een stukje op hun tenen lopen, bewegingen nadoen en een huisje van lucifers bouwen, en daar slaagde de groep met de getraumatiseerde broers gemiddeld altijd slechter in, soms met een fors verschil. Waarschijnlijk is verborgen hersenproblematiek een risicofactor voor het ontwikkelen van de post-traumatische stressstoornis, is de conclusie. En dat, schrijven de onderzoekers, zou kunnen betekenen dat de kans op genezing erg laag is. Maar op hun conclusies valt wel wat af te dingen. Dat de samenhang verdwijnt wanneer de resultaten gecorrigeerd worden voor het opleidingsniveau van de deelnemers, is niet zo erg. Het ligt immers voor de hand dat hersenproblemen het succes op school in de weg staan. Kwalijker is het, dat de beoordelaar op dezelfde dag ook de broers van de thuisblijvers ontmoet had. Daarbij werd waarschijnlijk wel duidelijk wie aan PTSS leed. Dat kan de resultaten ongewild beïnvloed hebben, omdat de beoordeling van de testuitslagen nogal subjectief is. En dan is er nog een vraag waar de onderzoekers volledig aan voorbij gaan: hoe schadelijk is het voor je hersenfuncties als de broer die als twee druppels water op je leek, geestelijk gebroken terugkeert uit een verre oorlog? Zouden de lagere testscores dus niet ook een gevolg van de oorlogstrauma’s kunnen zijn, zij het indirect? Misschien komt het antwoord binnenkort uit Irak. Zo moeilijk kan het tenslotte niet zijn om een paar honderd soldaten voor en na hun uitzending te testen. Aan traumatische gebeurtenissen zal het ze niet ontbreken.

Elmar Veerman

Bron: Tamara V. Gurvits e.a.: “Subtle neurologic compromise as a vulnerability factor for combat-related posttraumatic stress disorder”. Archives of General Psychiatry, mei 2006