Warme lente nekt vliegenvanger

Trekvogel te laat voor voedsel

De bonte vliegenvanger komt al jaren op rij te laat en mist daardoor de rupsenpiek. (Foto: Christiaan Both)
Zoom
De bonte vliegenvanger komt al jaren op rij te laat en mist daardoor de rupsenpiek. (Foto: Christiaan Both)

De eerste slachtoffers zijn gevallen. Christiaan Both en collega-biologen constateerden de afgelopen twintig jaar een aanzienlijke achteruitgang in het aantal bonte vliegenvangers. De zangvogel lijkt maar niet te kunnen wennen aan die warme Nederlandse lentes.

“Nou, een beetje”, antwoordt Christiaan Both op de vraag of het telefoontje gelegen komt. De bioloog bevindt zich in een ‘wel erg klein tentje’ in Friesland, glurend naar grutto’s. Hun gepiep is duidelijk hoorbaar aan de andere kant van de lijn. Toch beantwoordt hij graag wat vragen over een andere vogel: de bonte vliegenvanger. De bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) heeft het namelijk moeilijk. Hij gaat in aantal aanzienlijk achteruit, schrijven Both, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO) en de Rijksuniversiteit Groningen, en collega-onderzoekers deze week in Nature. Waarschijnlijke oorzaak: het veranderende klimaat. Nu weten biologen al een tijdje dat de warmere lentes van de afgelopen jaren een zware wissel trekken op sommige vogelsoorten. Planten krijgen eerder in het jaar bladeren en insecten verschijnen vroeger. Veel vogels eten insecten. Of hun jongen overleven hangt af van de hoeveelheid zespotig voedsel dat beschikbaar is. Het goede moment kiezen om eieren te leggen is dus cruciaal. Both en collega’s bestuderen al jaren koolmezen en kijken in hoeverre zijn hun leg kunnen aanpassen. Veranderen kost weliswaar veel energie, maar de koolmezen overleven desalniettemin. De bonte vliegenvanger is de eerste vogelsoort waarbij, in verband met het warme voorjaar, een afname is geconstateerd. In sommige bossen is hij al zo goed als verdwenen. Jaarlijks kwamen er tussen de tien- en vijftienduizend paren naar Nederland. Inmiddels zijn dat er twee- tot drieduizend minder. En waarschijnlijk is de vliegenvanger niet het enige slachtoffer. De vraag is nu wat de koolmees dan wel kan, wat de vliegenvanger niet kan. “De bonte vliegenvanger eet vooral rupsen. Zoals zijn naam al zegt lust hij ook wel vliegen en andere insecten, maar hij geeft de voorkeur aan rupsen. Daar zitten flink veel voedingsstoffen in”, begint Both. “Die rupsen zijn er echter maar even. In mei is er twee à drie weken lang een piek. Daarvoor en daarna zijn er maar heel weinig. Die piek is nu vervroegd. Viel die eerst rond 15 mei, in sommige – voedselrijke – bossen is die al in de buurt van 5 mei. De bonte vliegenvanger overwintert in West-Afrika en arriveert in Nederland rond 20 april. Dan moeten de paartjes nog nesten bouwen, eieren leggen en ze uitbroeden. De snelste tijd waarin wij hebben gezien dat een koppel een ei kan produceren, is vijf dagen. En dat is echt razendsnel. Gemiddeld legt een vrouwtje zeven eieren, één per dag, en doet er dertien dagen over om ze uit te broeden. Zeg dus dat een stel twintig dagen nodig heeft om jongen te maken. Als ze er dan eindelijk zijn, is het al bijna half mei en de piek zowat voorbij.” Een grote handicap is de overwinteringslocatie van de vogels. Vanuit West-Afrika, 4500 kilometer verderop, kan de vliegenvanger niet zien of de knoppen van de Nederlandse bomen misschien al op barsten staan. En al kon hij dat zien, zou hij dan pas aanvliegen, dan was hij mooi te laat. De vliegenvanger moet een maand vooruit plannen, want zo lang duurt een enkele reis Afrika-Nederland ongeveer. Eerder vertrekken zou slim zijn, maar dat besef lijkt bij de vogels nog niet te zijn doorgedrongen. “Ze blijven gaan op hetzelfde tijdstip, waarop hun ouders en de ouders daarvan en de ouders daar weer van ook zijn vertrokken”, zegt Both. In de tussentijd zit de koolmees nog steeds in Nederland, met zijn snavel bovenop de boomknoppen. Zou er verschil in aanleg voor vertrektijd zijn binnen de vliegenvangerpopulatie, dan was er hoop. Both: “Als sommige dieren genetisch zo zijn geprogrammeerd, dat ze Afrika eerder in het jaar verlaten, dan zouden die vogels in het voordeel moeten zijn. Zij kunnen eerder beginnen met leggen, waardoor hun jongen wel kunnen profiteren van de rupsenpiek. De snelle vertrekkers maken dus meer nakomelingen en uiteindelijk zullen zij de populatie gaan domineren, waardoor die als geheel eerder in Nederland zal arriveren.” Eind goed al goed. Maar nee, mooi niet. In de eerste plaats hebben Both, medebiologen en amateur-vogelaars nog geen echt vroege vogels gezien. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ze er ook niet zijn, maar het is op zijn minst een aanwijzing. Verder is het nog maar de vraag of de vroege vliegers daadwerkelijk in het voordeel zijn ten opzichte van hun slome soortgenoten. “Het irritante – voor de vliegenvanger – is dat het begin van de lente nog vaak koud is. Dan is er maar weinig voedsel en dat hebben de vogels toch nodig om te overleven. Ze kunnen dus wel lekker vroeg arriveren, maar als ze zelf het loodje leggen, kunnen ze zich natuurlijk ook niet voortplanten.” Het ‘nieuwe voorjaar’ heeft volgens de bioloog de eigenschap dat het ineens begint. In korte tijd wordt het warm, lijkt het plotseling zomer (voelt u maar even buiten). Planten en insecten kunnen daar heel snel op reageren. Vogels zijn iets minder flexibel. Het handigste zou zijn als de vliegenvanger zijn broedtijd kon verkorten; die twintig dagen bijvoorbeeld halveren. Maar ja, dat is vast erg lastig. Misschien nog wel lastiger dan het goed plannen van een tochtje Afrika-Nederland. Remy van den Brand Christiaan Both, Sandra Bouwhuis, C.M. Lessells en Marcel E. Visser, ‘Climate change and population declines in a long-distance migratory bird’, Nature, 4 mei 2006.