Van de bloemetjes en de bijtjes
Planten en hun bestuivers verdwijnen hand in hand

- Zoom
- Op de voorpagina van Science prijkt deze week een heggenrankbij op een bloemetje van, jawel, de heggenrank. Deze twee gaan overigens niet achteruit in Nederland, maar veel andere gespecialiseerde soorten wel.
Vroeger, voor 1980, vlogen er op veel plaatsen in Nederland en Engeland meer soorten bijen rond dan tegenwoordig, blijkt uit een inventarisatie. In dezelfde tijd zijn ook bepaalde planten achteruitgegaan. Dat is vast geen toeval. Maar wat verdween er eerder, de bloemen of de bijen?
Dieren kunnen elkaar opzoeken om te paren, planten niet. Die moeten dus seks bedrijven op afstand. Maar hoe zorg je als plant dat je sperma - stuifmeel noemen wij dat - terechtkomt bij een gewillige soortgenoot? De simpelste oplossing is het door wind of water te laten meevoeren, en dat doen sommige planten ook. Maar het is veel doeltreffender om een koeriersdienst in te huren: insecten.
Bijen, hommels, vlinders, zweefvliegen en kevers verzorgen de bevruchting bij duizenden soorten planten en laten zich daarvoor uitbetalen in nectar en stuifmeel. Sommige vliegende bestuivers zijn helemaal aangepast aan planten van een bepaalde familie, of zelfs aan één soort. De knautiabij is zo'n specialist. Het beestje voedt zijn larven uitsluitend met stuifmeel van de beemdkroon (Knautia arvensis), een plant met paarse bloemen. Die bloemen zitten op hun beurt zó in elkaar, dat de knautiabij veel efficiënter werkt als bevruchtingsassistent dan andere insecten.
"Dat zie je vaak", zegt Koos Biesmeijer, een Nederlandse bioloog die aan de Universiteit van Leeds werkt. "Het is voor een plant voordelig als een insect niet te veel 'vreemdgaat' door andere soorten planten te bezoeken. Daarom zijn sommige bloemen bijvoorbeeld heel diep, zodat alleen bestuivers met een lange tong bij de nectar kunnen. En die lange tong is dan weer niet geschikt voor ondiepe bloemen. In de loop van de evolutie zijn zo veel partnerschappen tussen bloemen en hun bestuivers ontstaan." Het zijn juist die kieskeurige soorten, zowel bij de planten als bij de bijen, die de laatste 25 jaar sterk achteruitgegaan zijn, tonen Biesmeijer en andere onderzoekers deze week aan in Science.
Ze vergeleken het aantal soorten bijen (waar ook de hommels onder vallen) en zweefvliegen dat voor 1980 is gevangen in bepaalde gebieden van Nederland en Groot-Brittannië met de vangst in de periode daarna. "Dit zijn de enige twee landen waarvoor je zo'n vergelijking kunt maken", vertelt Biesmeijer. "Nergens anders zijn er zo veel vrijwilligers die deze insecten vangen en bestuderen." Voor het artikel in Science werden bijna een miljoen waarnemingen onder de loep genomen, bijna allemaal van na de Tweede Wereldoorlog.
En dat leverde een ontluisterend beeld op, vinden de onderzoekers. Op 42 van de 81 Britse locaties was de soortenrijkdom van bijen en hommels na 1980 duidelijk lager dan daarvoor, terwijl hij maar op acht plaatsen was gestegen. In Nederland ging het nog slechter met deze insecten. Op 66 van 99 plekken was het aantal soorten afgenomen en op slechts vier was het toegenomen.
Heel anders was het gesteld met de zweefvliegen. Insectenkenner Menno Reemer, werkzaam bij Naturalis in Leiden en medeauteur van het artikel: "In Engeland bleef het aantal soorten grofweg gelijk, en in Nederland nam de diversiteit van zweefvliegen op veel plaatsen zelfs toe. Hoe komt dat, tja, daar geeft dit onderzoek geen antwoord op, maar ik heb wel een idee.
Zweefvliegen zijn niet kieskeurig en veel minder afhankelijk van bloemen dan bijen, omdat ze hun larven niet met stuifmeel grootbrengen. Bovendien gedijen ze goed in bossen, en daarmee gaat het de laatste tijd goed. Bijen moeten het vooral van open landschap hebben, en dat heeft flink te lijden gehad onder vermesting, verdroging en veranderd landgebruik. En ze zijn soms erg gebonden aan bepaalde bloemen die daar groeien."
Is de achteruitgang van de bijen dus te verklaren door het verdwijnen van bepaalde planten? Dat is wel erg waarschijnlijk, stellen de onderzoekers, want het zijn juist de specialistisch ingestelde bijen die vaak ontbreken in de collecties van na 1980. En andersom is het misschien ook zo. Want met planten die hun bevruchting overlaten aan insecten, gaat het in Groot-Brittannië de laatste tijd minder goed, terwijl wind- en waterbestuivers juist meer voorkomen.
In Nederland is die trend minder duidelijk, maar blijkt wel dat het relatief slecht gaat met planten die voor de overdracht van stuifmeel exclusief afhankelijk zijn van bijen. Soorten die ook met andere bestuivers uit de voeten kunnen, zitten niet in de problemen.
De Knautiabij zit dus in de hoek waar de klappen vallen, samen met zijn partner de Beemdkroon. Dat moeten we ons aantrekken, stellen de onderzoekers. Reemer: "Nederland heeft in 1992 het biodiversiteitsverdrag van Rio de Janeiro getekend en daarmee afgesproken alles te doen om de achteruitgang van het aantal soorten te stoppen. Nou, als je dat belangrijk vindt, kun je dit niet negeren." Biesmeijer. "De natuur wordt monotoner, en dat is jammer. Bovendien zijn bestuivers economisch belangrijk in de landbouw. Als er een wereldwijde bestuivingscrisis in aantocht is, wat ik wel geloof maar niet kan bewijzen, zullen boeren en tuinders daar waarschijnlijk onder gaan lijden."
Elmar Veerman
J.C. Biesmeijer, S.P.M. Roberts, M. Reemer e.a.: 'Parallel declines in pollinators and insect-pollinated plants in Britain and the Netherlands', Science, 21 juli 2006