Live evolutie

Vinken veranderen supersnel van snavel

De middelste grondvink was beter af zonder zijn familielid de grote grondvink. Foto B. Rosemary Grant.
Zoom
De middelste grondvink was beter af zonder zijn familielid de grote grondvink. Foto B. Rosemary Grant.

Het Amerikaanse biologen-echtpaar Grant was op een van de Galápagos-eilanden getuige van supersnelle evolutie. In slechts twee jaar verruilde de middelste grondvink zijn relatief grote snavel voor een kleiner formaat, onder druk van zijn grote neef. De Grants zagen het live gebeuren. Vandaag staat hun verslag in Science.

Het leven was mooi voor de middelste grondvink. Hij deelde het piepkleine Galápagos-eiland Daphne Major slechts met een andere vinkensoort en de voedzame zaden lagen voor het oprapen. Nee, deze darwinvink, ‘Geospiza fortis’ had niks te klagen. Tot de komst van zijn neef de grote grondvink, in 1982. Behalve de vogels verbleven op het eiland twee Amerikaanse biologen, het beroemde echtpaar Peter en Rosemary Grant. Sinds de jaren zeventig zitten de twee al met hun neus bovenop de darwinvink. Ze wisten alles van ‘m, behalve hoe hij zou reageren op concurrentie. En terwijl de middelste grondvink de komst van zijn grotere familielid met lede ogen aanzag, knepen de Grants in hun handen. Hier was hun kans om evolutie live te aanschouwen. De populatie van de middelste grondvink bestond uit qua uiterlijk twee verschillende vogels: die met een tamelijk grote bek en die met een relatief kleine snavel. De eerste aten voornamelijk grote zaden, degene met de kleine snavel richtten zich op kleine zaden. De grote exemplaren zijn weliswaar moeilijk te kraken, maar het eten daarvan levert netto nog steeds meer op dan het eten van een boel kleine zaden. Er vlogen dan ook meer vogels met grote snavels rond dan met kleine. Maar toen kwam de familie op bezoek. De gelijkenis was treffend, maar de verschillen overduidelijk. De grote grondvinken waren een stuk flinker dan hun middelmatige neven en nichten en bezaten bovendien een zeer stevige snavel. Het kleine spul lieten ze achteloos liggen, want met het grootste gemak kraakten ze dikke schillen en pulkten de voedzame stukjes eruit. De komst van de krakers naar Daphne Major betekende dan ook directe concurrentie voor de goed gebekte middelste grondvinken. Of erger: oneerlijke concurrentie. In het begin, bij het arriveren van de eerste vogels in 1982, was er geen probleem. De middelste vinken waren veruit in de meerderheid en de zaden die hun grote neven wegpikten misten ze nauwelijks. Maar de groep grote grondvinken groeide en bereikte zijn maximum in 2003, met ruim 350 dieren. En alsof Darwin zich wilde bewijzen, volgde nog dat zelfde en het volgende jaar een periode van grote droogte. Zaden werden schaars en de strijd erom bereikte een hoogtepunt. Vele vinken stierven. Van de handvol vogels die overbleven, hadden de middelste grondvinken allemaal een kleine snavel. Degene met de grote bekken hadden het afgelegd tegen de grotere immigranten. Ze konden domweg niet op tegen de veel sneller pellende grote grondvinken en verhongerden. En zo was de verdeling binnen de populatie van de middelste grondvinken in één klap omgekeerd. Had een mannetje voor de droogte van 2003 nog een gemiddelde snavellengte van 11,2 millimeter, in 2005 was die met vijf procent gedaald tot 10,6 millimeter. De ‘kleinsnaveligen’ waren nu in de meerderheid. Een enorm snelle verandering, zegt David Pfennig, evolutionair bioloog aan de Universiteit van North Carolina, in een bijbehorend nieuwsbericht van Science. “Ik had gedacht dat een dergelijke verschuiving veel meer tijd zou kosten.” Remy van den Brand Peter R. Grant en B. Rosemary Grant, ‘Evolution of character displacement in Darwin’s finches’, Science, 14 juli 2006 Elizabeth Pennisi, ‘Competition drives big beaks out of business’, Science, 14 juli 2006