Mensen zijn geneigd de pijn van een verlies zwaarder te laten wegen dan het plezier van een even grote winst. Dus wat doet u als u eerst vijftig euro krijgt en vervolgens mag kiezen of u dertig euro wilt teruggeven of liever twintig euro wilt houden? Waarschijnlijk doorziet u direct dat dit geen echte keuze is, omdat de opties op hetzelfde neerkomen.
Dit soort vragen was iets subtieler verpakt in een experiment van vier onderzoekers van het University College in Londen, waarover ze schrijven in Science. Benedetto de Martino en zijn collega’s stelden er nog maar eens mee vast dat niemand erin slaagt puur rationeel te beslissen. En ze ontdekten welk stukje van de hersenen daar schuldig aan is.
De twintig proefpersonen in het Londense laboratorium lagen met hun hoofd in een MRI-scanner, waarmee de doorbloeding van de hersenen in beeld werd gebracht. Ze kregen steeds de keuze tussen een vaststaand resultaat en een gok, bijvoorbeeld:
A. je krijgt honderd pond en verliest er dan weer zestig óf
B. je krijgt veertig procent kans om honderd pond te winnen, weergegeven door een taartdiagram.
Bij de vragen waar het werkelijk om ging, was het vaste bedrag (hier veertig pond) steeds in evenwicht met de winstkans (veertig procent kans op honderd pond), maar om de proefpersonen scherp te houden, zat er ook regelmatig een vraag tussen waarbij één van de twee opties duidelijk voordeliger was dan de andere. De resultaten daarvan telden niet mee.
Bij de helft van de vragen was het vaststaande resultaat negatief geformuleerd (je moet zestig pond inleveren), bij de andere helft positief (je mag veertig pond houden). Dat bleek de keuze flink te beïnvloeden. Een negatief geformuleerde optie leidde tot 62 procent gokken, een positieve formulering tot 43 procent. Het gokbevorderende effect van de negatieve woorden was niet bij iedere proefpersoon even sterk, maar wel altijd aantoonbaar. En dat terwijl ze achteraf allemaal meenden dat ze niet beïnvloed waren.
Nu is dit op zichzelf niks nieuws. Al in 1979 toonden Daniel Kahneman en Amos Tversky aan dat dit zogenoemde ‘framing effect’ rationeel beslissen in de weg staat. Het nieuwe van de proef van De Martino is dat de onderzoekers precies konden zien welke hersengebieden tijdens het kiezen actief waren. Ze zagen dat de amygdala opvallend actief was wanneer mensen kozen volgens het framing effect, dus wanneer ze een gok verkozen boven het verliezen van een deel van hun geld of juist voor zekerheid kozen als ze hun geld deels mochten houden. De amygdala is een hersenkwabje dat een sleutelrol speelt in ons emotionele leven.
Wanneer proefpersonen tegen het framing effect in kozen, was er een verhoogde activiteit in twee andere hersengebieden, de orbitale en mediale prefrontale cortex. Dat zijn plaatsen in de hersenschors waar rationele afwegingen tot stand komen. Die gebieden waren het actiefst bij de personen die zich het minst van de wijs lieten brengen door de manier waarop keuzes werden geformuleerd, de meest rationele beslissers dus.
Hadden die dan ook de minst actieve amygdala? Nee, vonden de onderzoekers. De activiteit in de twee gebieden in de hersenschors was bij hen wel duidelijk hoger, maar die van de amygdala niet lager. De Martino trekt hieruit de conclusie dat mensen die zich rationeler gedragen niet minder emoties ervaren dan anderen, maar die emoties gewoon beter onder controle hebben.
Elmar Veerman
Benedetto De Martino, Dharshan Kumuran, Ben Seymour en Raymond J. Dolan: ‘Frames, biases, and rational decision-making in the human brain’, Science, 4 augustus 2006