Het rekenzintuig

Iedereen heeft een aangeboren wiskundeknobbel

Rekenen: aangeboren of aangeleerd? Afb: Stanislas Dehaene.
Zoom
Rekenen: aangeboren of aangeleerd? Afb: Stanislas Dehaene.

Sommige basale rekenvaardigheden, zoals globaal optellen en hoeveelheden met elkaar vergelijken, lijken aangeboren. Kinderen van vijf jaar blijken die vaardigheden namelijk al te beheersen nog vóór ze op school hebben leren rekenen.

Een rekenzintuig, noemt de Amerikaanse psycholoog Stanislas Dehaene het in zijn boek ‘The number sense’. Zoals ieder mens een aangeboren taalvermogen heeft, heeft volgens Dehaene elk mens ook een ruw, aangeboren gevoel voor getallen, of, preciezer: voor hoeveelheden. Dat volgt ook uit onderzoek van Harvardpsychologe Elizabeth Spelke, dat deze week wordt gepubliceerd in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. Spelke en collega’s voerde een aantal experimenten uit met vijfjarige kinderen die geen van allen rekenlessen hadden gehad. Ze waren dus onwetend van rekenkundige trucs als optellen, aftrekken of vermenigvuldigen. Toch bleken de kinderen in staat om hoeveelheden met elkaar te vergelijken, en grove optellingen te maken. In een eenvoudig computerspelletje moesten de kinderen steeds aangeven of er meer rode of meer blauwe stippels waren. In het eerste experiment werden blauwe stippen getoond, die daarna in een ‘doos’ verborgen werden. Vervolgens werd een rode stippenwolk getoond. “Zijn er meer blauwe stippen, of meer rode?” luidde de vraag. Tweederde van de kinderen had het antwoord goed. In een tweede experiment werd de ‘doos’ halverwege nog bijgevuld met extra blauwe stippen, waarna de kinderen wederom gevraagd werd of er meer rode, of meer blauwe stippen waren. Hier had eveneens tweederde van de kinderen het antwoord goed. Ook zonder kennis van het abstracte begrip ‘optellen’ – of ‘erbij’, zoals dat tegenwoordig zo verduiveld lelijk heet - blijken kinderen daar dus al een intuïtief begrip van te hebben. In twee vervolgexperimenten werden de rode stippen vervangen door piepjes die het kind via de koptelefoon te horen kreeg (“Hier komen de rode stippen!”). De kinderen moesten dus informatie vergelijken die op twee verschillende manieren binnenkwam – de blauwe stippen via het beeldscherm, bovendien deels verborgen door de ‘doos’, en de rode stippen die als geluidspiepjes hoorbaar waren. Dat lijkt een onmogelijke opgave zonder achterliggende kenis van abstracte getallen, maar ook hier gaf tweederde van de kinderen het goede antwoord. Het vijfde experiment was eveneens verrassend: hier schotelde Spelke en collega’s de kinderen de getalsmatige variant voor van het optelspelletje, om te kijken of ze niet toch ergens stiekum hadden leren rekenen en kennis hadden van symbolische getallen. “ Je krijgt van je moeder 27 marshmellows. Daarna krijg je er nog eens 31.” De kinderen konden daarna kiezen uit twee antwoorden: ‘het is zoiets als 58’, of: ‘het is meer in de buurt van 33’. Bij deze test scoorden de kinderen op goed geluk: de helft koos het juiste antwoord, de andere helft het foute antwoord. De getalsmatige respresentaties van de puntenwolkjes deden bij de kinderen dus geen belletje rinkelen. De experimenten bewijzen dat er zoiets bestaat als een intuitief begrip van hoeveelheden, en dat kinderen kunnen rekenen nog voordat ze de bijbehorende symbolische representaties kennen. En dat is verrassend, schrijven de onderzoekers in hun artikel, vooral gezien het feit dat zoveel kinderen problemen hebben met rekenlessen op school. Onderwijzers zouden meer gebruik moeten maken van die aangeboren rekenknobbel van kinderen, stellen zij. Jacqueline de Vree Elizabeth Spelke et al, ‘Abstract number and arithmetic in preschool children’, in: PNAS, 12 september 2005