Angstig aangelegd
Hersenscan laat weerbaarheid zien

- Zoom
- De ventromediale prefrontale cortex zorgt dat aangeleerde angst weer kan verdwijnen
Een MRI-scan kan voorspellen of iemand goed zal zijn in het afleren van angst, menen Amerikaanse psychiaters. Naarmate een klein hersengebiedje dikker was, kwamen hun proefpersonen sneller van een aangeleerde angstreactie af.
Angst kan iemands leven behoorlijk in de war sturen. Neem het voorbeeld van een vrouw die ooit in een lift verkracht is. Het angstzweet breekt haar uit als ze een lift ziet, dus erin stappen durft ze al helemaal niet. Aangeleerde angstreflexen als deze zijn gelukkig ook weer af te leren, en daar is de behandeling van zogenoemde post-traumatische stress-stoornis onder meer op gericht. Daarbij valt op, dat de een zijn angst veel sneller kwijtraakt dan de ander. Dat zou wel eens kunnen liggen aan de grootte van het hersengebied dat aangeleerde angst moet uitdoven, bedachten psychiaters van het Massachusetts General Hospital.
De angst zelf huist in de amygdala, maar een ander hersengebied reguleert het verdwijnen van een aangeleerde angstreflex. Dat is de ventromediale prefrontale cortex, een stukje hersenschors onderaan de grote hersenen. Mohammed Milad en zijn collega’s gebruikten een MRI-scanner om te kijken hoe dik dit gebied was bij veertien vrijwilligers. Maar eerst moesten die deelnemen aan een angstaanjagend experiment.
De proef staat beschreven in het nieuwste nummer van het wetenschapsblad Proceedings of the National Academy of Sciences. Hij doet een beetje denken aan het werk van Ivan Pavlov, de Rus die honden zo conditioneerde dat ze gingen kwijlen als ze een belletje hoorden rinkelen. Milad en collega’s wilden geen speeksel opwekken, maar angstzweet. Dat verandert de geleidbaarheid van de huid, en die is vrij eenvoudig te meten. Hoe hoger de geleidbaarheid, hoe banger de proefpersoon.
De proefpersonen kregen digitale foto’s voorgeschoteld, waarop kamers met een bureaulamp te zien waren. Na een paar seconden floepten die lampen aan. Soms verspreidden ze een rood licht, soms was dat blauw. Bij de eerste acht foto’s gebeurde er verder niets, maar daarna volgde een sessie waarbij de proefpersonen vijf keer een elektrische schok kregen, steeds bij dezelfde foto met dezelfde kleur lamp. Dat was niet pijnlijk of gevaarlijk, wel heel onaangenaam. En na afloop wekte de gekleurde lamp een duidelijke angstreflex bij de vrijwilligers op.
In de volgende fase toonden de onderzoekers weer foto’s van kamers met rode en blauwe lampen, maar nu zonder elektrische schokken. Het was de bedoeling dat de aangeleerde angstreflex voor de gekleurde lamp hierdoor weer werd gedempt. Om te testen in hoeverre dat gelukt was, kregen ze ten slotte dezelfde foto waarbij ze schokken hadden gekregen weer te zien, mét de kleur licht die daarbij hoorde, maar zonder daadwerkelijk elektrische schokken te krijgen. Hoe meer de geleidbaarheid van hun huid daarbij omhoogschoot, hoe slechter ze er blijkbaar in geslaagd waren om hun angstreflex af te leren. Na de laatste foto ging iedereen de MRI-scanner in voor een hersenportret.
De onderzoekers zagen een significant verband tussen de dikte van de ventromediale prefrontale cortex op de scans en de grootte van de overgebleven angstreflex in de laatste fotokijk-sessie. Hoe dikker dit stukje hersenschors was, hoe minder angstzweet het plaatje opleverde. Die dikte lijkt dus inderdaad te kunnen verklaren waarom sommige mensen beter zijn in het afleren van bange associaties dan anderen, concluderen Milad en collega’s. Helaas weten ze er niet bij te vertellen hoe je je ventromediale prefrontale cortex kunt vetmesten.
Elmar Veerman
Mohammed R. Milad, Brian T. Quinn, Roger K. Pitman, Scott P. Orr, Bruce Fischl en Scott L. Rauch: “Thickness of ventromedial prefrontal cortex in humans is correlated with extinction memory”, Proceedings of the National Academy of Sciences (early edition, 11 april 2005)