De weg van de homo
Homogenen maken vrouwen vruchtbaar

- Zoom
- De Gay Pride in Parijs. Is homoseksualiteit het bijproduct van moeders grotere vruchtbaarheid?
Italiaanse onderzoekers denken een raadsel te hebben opgelost waarover genetici zich al vele jaren het hoofd breken: waarom er homoseksuelen bestaan. Maar de ontdekking roept ook bizarre vragen op. Richting het dubieuze: is homoseksualiteit aangeleerd gedrag?
Homoseksualiteit is hard op weg een van de grootste genetische raadsels aller tijden te worden. Dat was al zo, maar deze week heeft de puzzel een nieuwe, rare wending genomen. Want wat blijkt: moeders die een homoseksueel kind voortbrengen, krijgen gemiddeld meer kinderen dan moeders die een heteroseksueel kind voortbrengen. Sterker nog, ook hun zussen en dochters zijn bovengemiddeld vruchtbaar.
Het grote raadsel met homoseksualiteit is dat homo’s eigenlijk helemaal niet kunnen bestaan. Homo’s krijgen vanwege hun geaardheid immers minder nageslacht. En wie geen kinderen achterlaat, geeft ook zijn genen niet door. Kil geredeneerd zouden homo’s dus vanzelf moeten uitsterven – als men er tenminste zoals de meeste wetenschappers van uitgaat dat homoseksualiteit een erfelijke kant heeft.
Andrea Camperio-Ciani en collega’s van de Universiteit van Padua bestudeerden de families van honderd hetero- en 98 homomannen, om de weg van het homogen te achterhalen. In totaal 4600 familieleden van de homo’s en de hetero’s brachten de onderzoekers in kaart.
Al snel werd duidelijk dat homo’s inderdaad een belangrijk verschil hebben in hun stamboom. Aan moederskant van de homo krijgen de vrouwen 20 tot 30 procent méér kinderen dan het geval is bij hetero’s. De vrouwen uit een ‘homostamboom’ zijn vruchtbaarder dan die uit de heterofamilies. Dat is genoeg om het kinderloos blijven van de homomannen goed te maken, schrijven de Italianen in het Britse vakblad ‘Proceedings of the Royal Society B’.
Wat daarvan de diepere betekenis is, begrijpt niemand. Een boeiende verklaring geeft de Amerikaanse geneticus Simon LeVay in reacties tegenover journalisten. Volgens LeVay is homoseksualiteit misschien gewoon een kwestie van: meer aantrekking voelen voor mannen. Bij vrouwen vertaalt zich dat in meer kinderen, bij mannen zou de aanleg tot uitdrukking komen als homoseksualiteit. Homoseksualiteit zou zodoende bijproduct zijn van een biologisch mechanisme dat meer kinderen geeft.
Maar er zijn ook vragen. Als koude douche komen de Italianen tot de conclusie dat hun mechanisme slechts 21 procent van alle homoseksualiteit kan verklaren. Er zijn domweg veel meer homo’s in de wereld dan te verklaren is aan de hand van de verhoogde vruchtbaarheid bij de vrouwen.
Wellicht zijn er dus ook omgevingsfactoren in het spel, opperen de Italianen. Dat lijkt een ketterse uitspraak, al helemaal uit de mond van iemand uit het katholieke Italië: alsof homoseksualiteit een ziekte is die men oploopt, of een keuze die men maakt.
Gelukkig ligt de werkelijkheid genuanceerder. De meeste menselijke eigenschappen zijn het gevolg van een wisselwerking tussen aanleg en ontwikkeling van die aanleg. En daarbij gaat het niet om het luisteren naar bepaalde popmuziek of het spelen met meisjesspeelgoed: denk eerder aan stoffen die we in de baarmoeder binnenkrijgen, aan voeding of aan blootstelling aan virusjes. Misschien bestaat er zoiets als een set ‘latente’ homogenen: een genetische aanleg die onder sommige omstandigheden wel, en onder andere omstandigheden niet tot homoseksualiteit leidt.
Een dieper raadsel is om welke genen het gaat, en waar ze eigenlijk liggen. In 1993 werd LeVay in één klap wereldberoemd met zijn constatering dat ‘het homogen’ ergens op de lange arm van het X-chromosoom moet liggen, in een gebied genaamd Xq23. Die vondst is na elf jaar echter nog altijd omstreden. Waarschijnlijk is er sprake van meerdere genen, die niet allemaal op het X-chromosoom liggen. “Onze bevindingen zijn hooguit één stukje in een veel grotere puzzel,” aldus Camperio-Ciani.
Maarten Keulemans