God schiep neus en ogen niet
Vis en zeeworm geven Schepper ervan langs

- Zoom
- Is de hazenlip direct bewijs voor het feit dat we ooit een vis waren met een neus in wording?
Een slechte week voor de Schepper. Twee organen waarvan diepgelovige christenen altijd beweren dat ze een goddelijke schepping bewijzen, blijken heel gewoon door aardse evolutie tevoorschijn geboetseerd. Nog altijd herinnert de geboorteafwijking de hazenlip aan de dagen dat onze neus zich vormde.
Nog altijd zijn er christenen die denken dat God er de hand in moet hebben gehad, in de schepping. Neem nu onze ogen. Die kunnen alleen maar op Gods tekentafel zijn ontstaan. Met een oog dat half af is, zie je immers niks. Iemand moet de evolutie dus hebben gestuurd: en nu gaan we ogen maken. En daarna rustig alle tussenstadia hebben laten passeren.
Of neem de neus, nog zo’n raadselachtig orgaan. “Bewijs voor een intelligent ontwerp,” stelde de beruchte biochemicus en creationist Michael Behe al jaren geleden vast. “Om te kunnen functioneren, heeft het systeem zeer veel onderdelen nodig. En als enkele daarvan ontbreken, zou de neus het niet werken.” Twee studies, een in Nature en een in Science, bewijzen deze week dat het anders zit.
In China vonden paleontologen een wonderlijke vis die de ‘missing link’ vormt in de evolutie van de neus. En in Duitsland bestudeerden onderzoekers een nietig zeewormpje dat een voorstadium van het oog in zijn kopje heeft.
Rond de neus is ook onder niet-religieuze onderzoekers veel gedoe. Sommige prehistorische vissen zoals het levende fossiel Coelacanth hebben twee tunneltjes in hun snuit om water door te laten, één links en één rechts. Dieren met een neus hebben die tunneltjes ook: het zijn onze neusgaten. Alleen komen die niet meer uit bij onze wangen, zoals bij vissen het geval is, maar voeren ze naar twee gaten achterin onze keel – ‘choanae’, luidt de officiële naam van die openingen.
Dat moet betekenen dat de choanae zich op een zeker moment in de evolutie naar binnen hebben verplaatst. Door de kaaklijn, langs het verhemelte, naar de keelholte. En dat lijkt nogal een reis, voor een neusgat: op een zeker moment in de evolutie moet er een dier zijn geweest dat neusgaten in zijn bovenkaak had, op de plek waar wij nu voortanden hebben.
En zowaar: zo’n dier blijkt inderdaad te hebben geleefd. De Chinees Min Zhu en de Zweed Per Ahlberg onthullen deze week het fossiel van een vis, die inderdaad neusgaten in zijn tandlijn had. De oervis, door de onderzoekers ‘Kenichthys’ gedoopt, leefde zo’n vierhonderd miljoen jaar geleden in het huidige China. Dat was in het tijdperk waarin de allereerste amfibieën aan land krabbelden.
Fascinerend genoeg zit de oervis nog steeds diep verstopt in ons lichaam. Dat komt tot uiting als er iemand met een hazenlip wordt geboren, menen Zhu en Ahlberg: een baby met een open verhemelte. De geboorteafwijking is volgens Zhu en Ahlberg een directe herinnering aan de tijd dat we nog neusgaten in onze tandlijn hadden. Ook Kenichthys had een gat in zijn verhemelte – een gat dat veel lijkt op het niet goed gesloten verhemelte van een kind met hazenlip.
In het Duitse Heidelberg heeft men intussen ontdekt waar de lichtgevoelige zintuigcellen van ons netvlies eigenlijk vandaan komen. Zowel de ‘staafjes’ (waarmee we licht zien) als de ‘kegeltjes’ (waarmee we kleuren onderscheiden) blijken direct afkomstig uit het brein.
Dat kon ook moeilijk anders. De ogen zijn een direct uitgroeisel van onze hersenen, het enige stuk van ons brein dat je van buitenaf kunt zien zitten. Bovendien bevatten hersenen lichtgevoelige celletjes, die onder meer dienen om onze biologische klok af te regelen en die en passant ook onze gemoedstoestand beïnvloeden. Heel logisch dus dat de kegeltjes en de staafjes directe nakomelingen zijn van die groep cellen.
Het bewijs daarvoor vonden de Duitsers bij een even nietig als obscuur zeewormpje, ‘Platynereis dumerilii’. Het diertje lijkt nog steeds sterk op soorten die zeshonderd miljoen jaar geleden leefden – de allereerste meercellige levensvormen. Door toeval kreeg onderzoeker Detlev Arendt foto’s te zien van het hersenweefsel van de worm.
“Het viel me op dat de vorm van de cellen leek op die van de staafjes en kegeltjes in het menselijke oog. Ik was onmiddellijk gegrepen door het idee dat beide cellen dezelfde origine hebben.” Dat blijkt inderdaad het geval.
Detailonderzoek van beide cellen wijst uit dat zowel de wormenhersencellen als menselijke oogcellen een lichtgevoelig eiwit bevatten, opsine, dat zeer sterke overeenkomsten vertoont. Anders gezegd: de cellen waarmee we zien zijn direct verwant aan cellen die zeshonderd miljoen jaar geleden nog in het brein zaten.
Of dat aanhangers van de scheppingsleer zal overtuigen, valt te betwijfelen. Bezoekers van het creationistenforum The Panda’s Thumb op internet zijn in elk geval niet onder de indruk. “Dat twee eiwitten op elkaar lijken zegt niets over hoe de evolutie optrad,” merkt een zekere Steve op. “Er zitten planken in mijn schutting en er zitten planken verwerkt in mijn huis. Maar dat wil nog niet zeggen dat er uit mijn schutting een huis groeit.”
Maarten Keulemans
Min Zhu en Per Ahlberg: “The origin of the internal nostril of tetrapods”. In: Nature, Vol. 432, 94-97 (2004)
D. Arendt, K. Tessmar-Raible, J. Wittbrod et al: “Ciliary photoreceptors with vertebrate-type opsins in an invertebrate brain”. In: Science, Vol. 432, 94-97 (2004)
Jonathan Sarfati: “Olfactory design: smell and spectroscopy”. In: Creation Ex Nihilo Technical Journal, Vol. 12, 37-38 (2004)