Hollands oerwoud
Honderd nieuwe plantensoorten in 25 jaar

- Zoom
- Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora)
Alweer is er bewijs dat planten baat hebben bij de opwarming van de aarde. Ook in Nederland neemt het aantal wilde plantensoorten uit warmere streken razendsnel toe. “Er is geen reden om somber te zijn. De schuine lijn naar nul wordt niet bewaarheid.”
De waterteunisbloem uit Zuid-Amerika, het balkanvergeet-mij-nietje en de Zuid-Afrikaanse gierst doen het weer goed deze zomer. En dat is opvallend: de soorten kwamen tot voor kort helemaal niet voor in ons land. Een en ander blijkt uit tellingen van het Nationaal Herbarium Nederland (NHN) in Leiden.
Sinds het jaar 1500 zijn er in Nederland zo’n 500 soorten bij gekomen; 200 daarvan deden hun intrede in de laatste honderd jaar. De afgelopen zeven jaar alleen al kon het Nationaal Herbarium 40 nieuwe wilde planten opnemen in de Standaardlijst Nederlandse Flora, waarvan de nieuwe editie in september verschijnt. Nog eens 85 soorten zijn aangemerkt als ‘wachtkamersoort’: vrijwilligers hebben ze al wel gezien, maar de planten moeten op drie verschillende plekken worden waargenomen, en het drie generaties lang uithouden, om op de standaardlijst te komen.
De toename komt deels voor rekening van de klimaatopwarming, maar ook deels door factoren als overbemesting en verstedelijking. Zo heerst er in steden een savanneachtig klimaat, omdat steen snel opwarmt en water snel afvoert. “Toch zien we ook echt een klimaateffect,” zegt NHN-florist Ruud van der Meijden. “De afgelopen 25 jaar zijn er zeker 25 soorten bij gekomen als direct gevolg van de klimaatopwarming.” Enkele tientallen soorten verdwenen, maar die afname valt in het niet bij de aanwas.
Hoe zuidelijker in Europa, des te meer plantensoorten er voorkomen. Maar nu de aarde opwarmt en het ook in Nederland warmer wordt, begint die plantenrijkdom te verschuiven naar het noorden. Bij een temperatuurstijging van één graad kan het er al op neerkomen dat de Nederlandse plantenweelde net zo rijk wordt als die rond Lyon, denkt Van der Meijden. Dat kan betekenen dat er straks op iedere vierkante kilometer natuur in Nederland 80 tot 100 plantensoorten méér voorkomen dan honderd jaar geleden.
Ongeveer de helft van de ‘exoten’ komt uit Zuid-Europa, de rest komt overwegend uit Amerika en Azië. De meeste uitheemse zaden komen letterlijk aanwaaien. Een kleiner gedeelte bereikt Nederland via autobanden, kleding van reizigers of gewoon via het tuincentrum.
Ook in andere opzichten verandert de Nederlandse natuur. Ieder jaar worden er nieuwe uitheemse soorten insecten en andere dieren waargenomen. Zoals de veelbesproken paardenkastanjemineermot, maar ook de zilverreiger, de sikkelsprinkhaan, de Franse veldwesp en zelfs flamingo’s. De Noordzee telt volgens cijfers van de Belgische overheid nu zo’n 120 exoten, waaronder Japanse wieren en oesters, Amerikaanse zwaardschedes, Chinese krabben en zeepokken uit Nieuw-Zeeland.
De soorteninvasie heeft ook nadelen. Zo zorgt de van oorsprong Amerikaanse waterwoekerplant de grote waternavel sinds zijn komst in de jaren negentig voor veel overlast in de Nederlandse binnenwateren. En in mei nog wees de Wageningse hoogleraar Wim van der Putten er in een rede op dat er makkelijk plantenplagen kunnen ontstaan, als de nieuwkomers ontsnappen aan hun natuurlijke vijanden.
Ook uit andere studies blijkt dat de plantenwereld een sensationele opleving doormaakt – precies zoals je mag verwachten in een warme, CO2-rijke broeikaswereld. Zo wees onderzoek vorig jaar uit dat de wereld in de periode 1980-2000 liefst 6 procent groener is geworden. Haast de helft van het nieuwe groen ontstond opmerkelijk genoeg in het gebied dat volgens milieuorganisaties met de ondergang wordt bedreigd: het tropisch regenwoud van Zuid-Amerika.
Dat in veel streken ook het aantal soorten toeneemt, is opmerkelijker. Meer groen kan namelijk ook betekenen dat er soorten worden verdrongen: landen als Nederland zouden veranderen in een saaie, eenzijdige ‘brandnetelwereld’. In januari wees een geruchtmakende prognose nog uit dat liefst een kwart van alle planten- en diersoorten de komende vijftig jaar dreigt uit te sterven, als direct gevolg van de opwarming van de aarde.
Van der Meijden heeft echter scherpe kritiek op die ‘uitsterfstudie’. “Die onderzoekers zijn in alle statistische vallen gelopen die je maar kunt bedenken. En afgezien daarvan: wij zien het aantal plantensoorten gewoon omhoog gaan. Ondanks het feit dat er steeds meer mensen zijn.”
De Leidse plantkundige is onder de indruk van het feit dat de natuur letterlijk verandert waar hij bij staat. “Straatliefdegras bijvoorbeeld heb ik in de jaren 1967-1968 nog zien verschijnen, ergens op een stukje grond tussen Schiedam en Rotterdam. Nu vind je hem van Catzand tot Delfzijl en van Maastricht tot Den Helder. Zó snel kan het gaan.”
Kritisch is Van der Meijden over natuurorganisaties die vinden dat de natuur juist steeds armer wordt. “We hebben de neiging om te denken dat het hier vijftig of honderd jaar geleden allemaal schitterend was. Maar als ik kijk naar onze gegevens, dan denk ik dat we de natuur van vroeger volstrekt romantiseren. Met respect, in werkelijkheid was het hier toch een beetje een armelijke zooi.”
Maarten Keulemans
De nieuwe Standaardlijst Nederlandse Flora verschijnt in september in een speciale uitgave van het vakblad Gorteria. Later wordt de lijst verwerkt in de nieuwe editie van het standaardwerk ‘Heukels’ Flora van Nederland’, die voor de winter van 2005 gepland staat.