Dood door opwarming

Klimaatverandering helpt miljoen soorten om zeep

De spotvogel: een van de dieren die door de klimaatverandering dreigt uit te sterven
Zoom
De spotvogel: een van de dieren die door de klimaatverandering dreigt uit te sterven

Maar liefst een kwart van alle dieren en planten dreigt de komende decennia uit te sterven als gevolg van de klimaatverandering. Dat blijkt uit de meest omvangrijke prognose van de biologische gevolgen van klimaatverandering tot dusver. En de schatting is nog aan de conservatieve kant, denken biologen.

De vergelijking is oud, maar geldt als nooit tevoren: de mens heeft net zo’n verwoestend effect op de natuur als de reuzenmeteoor die 65 miljoen jaar geleden in één klap de dinosauriërs van de wereld vaagde. Vandaag de dag staan niet minder dan een miljoen dieren- en plantensoorten op het punt uit te sterven als gevolg van de klimaatverandering, leert een nieuwe prognose. “Onze studie maakt duidelijk dat klimaatverandering de belangrijkste oorzaak wordt voor uitsterven,” aldus biologe Lee Hannah, een van de onderzoekers. Zelfs als de opwarming van de aarde binnen de perken blijft, sterft ongeveer 15 procent van alle landdieren en –planten uit. Bij een minder gunstige temperatuurstijging van 2 graden Celsius in het jaar 2050, zal dat aantal oplopen tot 35 procent. Van alle soorten die nu leven, zal er dan meer dan één op de drie niet meer zijn. De uitsterfgolf kan aanhouden tot ver ná 2050, omdat sommige soorten langzaam reageren op klimaatverandering. Dat hoeft overigens niet te betekenen dat er minder aantallen dieren en planten zullen zijn. Vorig jaar nog bleek dat het broeikaseffect ook zorgt voor meer en weelderige plantengroei, omdat er meer CO2 in de atmosfeer zit. “De natuur zal uniformer worden,” voorziet onderzoeker Michel Bakkenes, een van de opstellers van de nieuwe prognose. “Sommige planten zullen groter worden. Maar vooral gaan we meer van hetzelfde krijgen.” De nieuwe, grimmige verwachting is de uitkomst van groot internationaal onderzoek, onder leiding van de Britse Universiteit van Leeds, en uitgevoerd door onder meer het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in De Bilt. De onderzoekers namen zes steekproeven van biologische leefgemeenschappen, bij elkaar goed voor 1103 dier- en plantensoorten, en samen representatief voor ongeveer 20 procent van de natuur op aarde. Vervolgens bepaalden de onderzoekers aan de hand van de bestaande klimaatprognoses wat de opwarming van de aarde precies betekent voor het leefgebied van de soorten in kwestie. Veel dieren- en plantensoorten komen tussen nu en het jaar 2050 in de tang te zitten, rapporteren de onderzoekers morgen in Nature. Het klimaat dreigt zodanig te veranderen, dat veel soorten niet meer in hun leefgebied kunnen overleven. Maar wegtrekken naar een andere streek is niet altijd mogelijk, omdat het klimaat ook op andere plaatsen verandert en omdat de gunstigere streken vaak te ver weg liggen om heen te migreren. Dat probleem geldt des te meer in het drukke Europa, stelt RIVM-onderzoeker Bakkenes “Als soorten zich vrij konden bewegen, zou de klimaatverandering niet eens zo’n groot probleem zijn. Het is de combinatie van factoren die het probleem moeilijk maakt. In Nederland is het probleem net zo goed dat het leefgebied van kwetsbare soorten wordt doorsneden door wegen.” Ook dieren die in een natuurreservaat leven, zoals roofvogels en grote zoogdieren, zijn hun leven niet zeker: de opwarming van de aarde zal allerlei reservaten onbewoonbaar maken. In Europa dreigt volgens de nieuwe berekeningen uitsterving voor maximaal een kwart van alle vogelsoorten en voor 11 tot 17 procent van alle planten. Onder meer de heggenmus, de kuifmees, de spotvogel, de kleine waterhoen en de zwarte spreeuw kunnen in serieuze problemen komen door het veranderende klimaat. In Nederland en België kan de ramp er gek genoeg op uitdraaien dat de soortenrijkdom niet kleiner, maar juist groter wordt, als planten- en diersoorten uit Zuid-Europa wegvluchten naar het gematigde klimaat van de lage landen. Door de klimaatverandering dreigen vooral de mediterrane landen te verdorren. “De verwachting is dat er een verschuiving van soorten zal optreden naar het noordoosten van Europa,” zegt Bakkenes. Dat effect is nu al enigszins merkbaar: zo dook de afgelopen zomer de roodrugspin op in België, werd de tijgerspin gesignaleerd in Brabant en zorgde de eveneens tot voor kort uitheemse paardenkastanjemineermot voor zieke bomen in het zuiden van ons land. Bakkenes waarschuwt: het kan allemaal ook nog veel erger uitpakken. In de natuur hangt immers alles met elkaar samen. “Trekvogels komen precies op tijd terug om bepaalde insecten te eten. Straks is er een kans dat daarin een onbalans ontstaat, en dat die vogels geen voedsel meer hebben, als bijvoorbeeld rupsen zich eerder gaan verpoppen.” Ook de Amerikaanse biologen J. Alan Pounds en Robert Puschendorf vinden de schatting aan de behoudende kant, schrijven ze in een begeleidend commentaar in Nature. Zo houden de schattingen geen rekening met bijkomstigheden van klimaatverandering, zoals veranderingen in wolkvorming en uitbraken van ziektes. “De modellen zien sommige cruciale veranderingen misschien over het hoofd,” opperen de commentatoren. Volgens de hoofdauteur van het artikel, de Britse bioloog Chris Thomas, zit er maar één ding op. De uitstoot van broeikasgassen moet omlaag, en snel. “Een onmiddellijke en progressieve omschakeling naar technologieën die weinig of geen nieuwe broeikasgassen voortbrengen, gecombineerd met actieve verwijdering van koolstofdioxide uit de atmosfeer, kan een miljoen of meer soorten voor uitsterven behoeden.” Maarten Keulemans Chris Thomas, Alison Cameron, Rhys Green, Michel Bakkenes et al.: Extinction risk form climate change. In: Nature, Vol. 427, 145-148 (2004).