Pakjesavond op zee

Een passie voor plankton

Een van de grotere visnetten wordt binnengehaald, de Akra-trawl.
Zoom
Een van de grotere visnetten wordt binnengehaald, de Akra-trawl.

Annelies Pierrot-Bults is planktonspecialist. Ze voer een maand mee met het onderzoeksschip G.O. Sars, om het zeeleven van de Mid-Atlantische Rug in kaart te brengen. Ze keerde terug met een verhuisdoos vol plankton.

Eindeloze rijen Franse weckpotten vullen de archiefkasten in het Zoölogisch Museum van de Universiteit van Amsterdam. Allemaal vol met plankton. Dunne wittige sliertjes, soms nauwelijks met het blote oog zichtbaar. Of grotere, viltige plakken kolonievormend plankton. Linten. Bolletjes. Plankton in alle soorten en maten. “Alles wat in het water zweeft en niet in staat is om tegen de stroom in te zwemmen,” verduidelijkt Annelies Pierrot, als planktondeskundige verbonden aan het Zoölogisch Museum in Amsterdam. “Ik wilde graag de zee op toen ik studeerde, “ vertelt Pierrot. “Maar visserijbioloog kon je niet worden in de jaren zestig. Je mocht als meisje gewoon niet met de vissers mee.” Pierrot is als biologe geïnteresseerd in soortvorming. “En dan is de zee razend interessant. Hoe ontstaan al die verschillende soorten als er geen grenzen zijn? Want de zee, dat is één grote bak water. Alles staat met elkaar in verbinding.” Pierrot specialiseerde zich uiteindelijk in plankton. “Chaetognathen, of pijlwormen, dat zijn mijn diertjes. Ze zijn in 1769 ontdekt door een Nederlander, Martinus Slabber. Ik heb ze gekozen omdat het een overzichtelijke groep is. Er zijn maar honderd verschillende soorten. Andere groepen zijn veel groter.” Van 4 juni tot 4 juli voer Pierrot als enige Nederlander mee aan boord van het Noorse onderzoeksschip G. O. Sars. Doel: het in kaart brengen van het zeeleven aan weerszijden van de Mid-Atlantische rug, de bergketen die dwars door het midden van de Atlantische Oceaan loopt. Pierrot voer op de heenweg mee. Van Bergen in Noorwegen naar IJsland, en dan kriskras de Atlantische Oceaan over naar de Azoren. Daar kwam een nieuwe groep wetenschappers aan boord, waarna de reis in omgekeerde volgorde werd voortgezet. Vorige week kwam het schip weer in Bergen aan. Het was hard werken, de maand aan boord. “Zes uur op, zes uur af. De bemanning deed dat zo, dus deden wij dat ook. Maar je hebt nooit een hele nacht slaap. En als de netten binnenkomen, dan werk je gewoon door tot ze leeg zijn.” Het is elke keer weer spannend wat er nu weer mee omhoog gekomen is. “Vooral bij de eerste vangst. Toen was iedereen echt heel erg opgewonden. Het is net Sinterklaas, met allemaal kleine kadootjes. Daar doe je het dus voor.” Het onderzoek van de G.O. Sars maakt deel uit van Mar-eco, een project bedoelt om de ecosystemen rond de Mid-Atlantische Rug in kaart te brengen. Mar-eco is zelf weer onderdeel van een nóg groter project: de Census of Marine Life, een soort volkstelling van al het leven in zee. De G. O. Sars deed gedurende de eerste dertig dagen 18 grote monsterstations aan, waar met verschillende technieken het zeeleven aan de tand gevoeld wordt. Met sleepnetten, met onbemande onderzeeërs, met videocamera’s. En met het plankton-net van Annelies Pierrot. “Dat is een meter of drie lang. De mazen variëren van 60 tot 700 micrometer. Aan het eind zit een emmertje. Daar komt het plankton in terecht.” Pierrot wil weten of de planktonsoorten aan weerszijden van de onderzeese bergketen van elkaar verschillen of niet. Daarvoor moet ze genetisch onderzoek uitvoeren op de monsters die ze aan boord verzameld heeft. “Een verhuisdoos vol,” lacht ze. Voorlopig staat die verhuisdoos vol glazen potjes nog in Bergen, en is het geduldig wachten tot-ie is overgebracht naar het Amsterdamse instituut. En dan begint het echte werk eigenlijk pas, zegt Pierrot. “Het uitzoeken van alles wat je omhoog hebt gehaald kost zoveel tijd en menskracht, dat hebben we tegenwoordig eigenlijk niet meer. Er staan hier nog monsters in de kast uit 1980. Die zijn ook nog niet verwerkt.” Pierrot was dit keer niet de enige vrouw aan boord. Onder de dertig wetenschappers die op de heenreis meevoeren, waren vier vrouwen. De vreemdste eend aan boord was de bekende Noorse schilder Ørnulf Opdahl. Tijdens de eerste dertig dagen van de expeditie legde hij de verschillende zeebewoners vast in zijn schilderijen. Daarmee bewees hij eer aan de naamgever van het schip, de 19e eeuwse bioloog en tekenaar Georg Ossion Sars, die tijdens zijn vele expedities in nauwgezette tekeningen vastlegde wat hij zag. Heel interessant, vond Pierrot de aanwezigheid van de schilder. “Als ik een foto maak, dan is het een ansichtkaart. Hij pakt toch iets mee van het wijdse, en van de buitenissige wereld onder water.” Pierrot is overigens blij dat ze weer vaste wal onder de voeten heeft. "Ik ben eigenlijk helemaal niet geschikt voor onderzoek op zee. Ik word erg snel zeeziek. Maar gelukkig is dat een beetje gesleten, met de jaren." Jacqueline de Vree