Windsignaal

Verdwijnend ozon geeft Nederland lauwe nawinter

Meer hoosbuien, maar ook meer verdroging omdat het water sneller verdampt. Dat staat ons volgens het KNMI te wachten. (Bron: Freeimages.com)
Zoom
Meer hoosbuien, maar ook meer verdroging omdat het water sneller verdampt. Dat staat ons volgens het KNMI te wachten. (Bron: Freeimages.com)

De opwarming van de aarde lijkt in Nederland net iets sneller te gaan dan elders. Dat zou te maken kunnen hebben met het groeiende gat in de ozonlaag, denken onderzoekers van het KNMI. De weersverwachting voor de komende eeuw: meer overstromingen, minder elfstedentochten en af en toe een helse hoosbui.

Het begint al bijna te wennen. De afgelopen jaren is de gemiddelde temperatuur in Nederland verder opgelopen, en de mens met zijn broeikasgassen is de belangrijkste boosdoener, zo meldt het KNMI ook dit jaar weer in zijn klimatologische jaarrapport. In 2002 bedroeg de gemiddelde temperatuur 10,8 graden. Het jaar is daarmee vierde in de toptien van warmste jaren sinds 1901. Die hele toptien bestaat uit jaren na 1988. Ook is er iets ongewoons aan de hand. In de maanden februari, maart en april, zo constateert het instituut, warmt Nederland sinds 1970 nog iets extra op, bovenop de gemiddelde opwarming. Wereldwijd steeg de temperatuur sinds 1900 met ongeveer 0,8 graden; in Nederland bedraagt de gemiddelde stijging een volle graad. Echter: het effect is zo klein, dat het gezien over de langere termijn verwaarloosbaar is. “Over de eeuw als geheel is er geen sprake van een trend die van invloed is op de temperatuur,” schrijft het KNMI in zijn jaarlijkse klimaatrapport. Opvallend is het effect wél. De late winter en de vroege lente zijn in Nederland namelijk wel degelijk haast een graad warmer. Dat komt door de wind, stelt het KNMI. In de maanden februari, maart en april staat er sinds de jaren zeventig vaker een zuidwestenwind. En die voert extra warmte naar de lage landen. De opwarming is op allerlei manieren merkbaar, bevestigt het KNMI-rapport. Het aantal ‘stookdagen’ met een temperatuur van 17 graden of lager nam de afgelopen twintig jaar sterk af, terwijl het groeiseizoen voor planten in de twintigste eeuw met ongeveer 25 dagen toenam. Uit onderzoek van Wageningen Universiteit blijkt dat een groot aantal planten in 2002 wel drie tot vier weken eerder begon te bloeien dan in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Minstens even opmerkelijk zijn de effecten die het KNMI níet als trend ziet. Hoewel de winters sinds 1900 natter zijn geworden, kunnen de drie stortbuien die de afgelopen jaren het Westland blank zetten toeval zijn. Ook het feit dat er sinds 1999 ieder jaar een zware storm over het land trok, kan een speling van het lot zijn. Toch beloven de cijfers wat voor de toekomst. In de loop van de eeuw zal de wereldtemperatuur verder stijgen, met minstens een graad en misschien zelfs zes graden, stelt het KNMI vast. De zeespiegel zal met tien tot zelfs negentig centimeter stijgen, door uitzetting van het water en het smelten van ijskappen. Voor Nederland, dat ook nog eens rekening heeft te houden met een bodemdaling van tien centimeter, heeft dat vervelende gevolgen. Meer hevige regenbuien, maar ook een grotere kans op verdroging omdat er meer verdamping is. Meer overstromingen in de riviergebieden, maar in de zomer kans op watertekort omdat de rivieren dan juist veel lager staan. Meer kans dat zout zeewater het land binnendringt omdat de zeewaterspiegel zo hoog is, en minder kans op strenge winters. Zelfs in het gunstigste geval verwacht het KNMI deze eeuw nog maar tien elfstedentochten. En de verandering in windrichting? Om dat effect te verklaren nemen de onderzoekers van het KNMI hun toevlucht tot een nog omstreden theorie. De oorzaak van het windeffect kon namelijk wel eens niet vlak boven het aardoppervlak liggen – maar veertig kilometer hoger, in de stratosfeer. Hoog boven de Noordpool zorgt de afbraak van de ozonlaag voor extra koelte: ozon houdt namelijk warmte vast. Door die afkoeling loopt het temperatuurverschil tussen noord en zuid op. En dat zorgt vooral in de maanden februari, maart en april voor extra zuidenwind in de stratosfeer. Het kan geen toeval zijn dat die windtoename in de stratosfeer nauw verband blijkt te houden met de veranderde windrichting vlak boven het aardoppervlak, stellen de KNMI-onderzoekers. Dat is een opmerkelijke uitspraak, omdat klimatologen er tot voor kort van uit gingen dat er geen verband bestaat tussen wat er in de stratosfeer gebeurt en wat zich in de lagere luchtlagen afspeelt. De stratosfeer is strikt gescheiden van het ‘gewone’ weer, luidde de aanname. De computermodellen zijn nog verdeeld over de kwestie, vertelt KNMI-onderzoeker Pieter Siegmund. “Er zijn modellen die ook meer wind aan het aardoppervlak geven als je de stratosfeer buiten beschouwing laat. Maar er zijn ook modellen die onze visie ondersteunen. Als je de stratosfeer weghaalt, is het windsignaal weg.” Dat geeft meteen een dieper probleem weer: de wetenschap heeft nog altijd grote moeite om het klimaat goed te bevatten. De temperatuur kán deze eeuw met een graad stijgen, maar zes keer zoveel kan ook. En dan is er de kleine kans dat er opeens een onverwacht klimaateffect opduikt, een ‘klimaatverrassing’ in jargon. Zo denken sommige oceanologen dat de opwarming van de planeet rond het jaar 2010 uitmondt in een periode van extreme koude, een mini-ijstijd. Ronduit griezelig is de mogelijkheid dat het broeikaseffect ‘op hol slaat’ door de toename van de hoeveelheid waterdamp en het vrijkomen van koolstofdioxide uit het smeltende poolijs, allebei broeikasgassen die de atmosfeer verdikken. Het klimaatpanel IPCC van de VN wees er twee jaar geleden op dat er een minieme kans bestaat dat de aarde daardoor op termijn zelfs onbewoonbaar wordt, als de atmosfeer net zo dik en heet wordt als die van de planeet Venus. Gelukkig constateert het IPCC ook dat het nog altijd denkbaar is dat het klimaat minder opwarmt dan de metingen doen geloven, omdat veel meetstations in of vlakbij de warmere bebouwde kom staan. Maarten Keulemans, NOS Online “De toestand van het klimaat in Nederland”, KNMI 2003 Eugenia Kalnay et al, “Impact of urbanization and land use on climate change”. In: Nature, 29 mei 2003, 528-531