Vuile oorlog
Milieuramp oorlog Irak dreigt Eden te verstikken

- Zoom
- oliebrand
Vergeet de oliebranden die na de Golfoorlog van 1991 woedden in Koeweit. De oorlog in Irak kan wel eens een veel grotere milieuramp ontketenen.
Verstikkende rookwolken, vervuilde rivieren, verdroogde landerijen. Het Irak van na de oorlog zou wel eens een dor niemandsland kunnen zijn, vergiftigd door een van de grootste milieurampen die de mens ooit ontketende. Die sombere voorspelling doen zegslieden van milieuorganisaties en de milieupoot UNEP van de VN, nu de eerste grote oliebranden in de Iraakse woestijn zijn opgelaaid.
De Koeweitse oliebranden van 1991 zouden daar wel eens bij in het niet kunnen vallen, denken sommige zegslieden. Destijds staken Iraakse troepen die zich terugtrokken uit Koeweit zevenhonderd oliebronnen in brand. Ook loosden ze 150 miljoen ton ruwe olie in zee: de inhoud van de onlangs bij Spanje gezonken olietanker Prestige keer twaalf. In de maanden die volgden, pompte het vuur van de branden een tot twee miljoen ton koolstofdioxide de atmosfeer in, raakte haast duizend kilometer kust vervuild en belandden er zelfs roetresten op de ijstoppen van de Himalaya. Honderden longpatiënten en honderdduizenden vogels en zeedieren moeten de dood hebben gevonden.
Maar dat was het nietige Koeweit. Niet alleen heeft Irak meer dan twee keer zoveel oliebronnen; vooral rond de stad Basra komt de olie met aanzienlijk meer kracht uit de grond omhoog. Daardoor zijn eventuele branden veel lastiger te blussen, zo schrijft het Britse wetenschapsblad New Scientist. Ook heeft het land tal van olie-installaties die moeilijk bereikbaar zijn. Het is nog maar de vraag in hoeverre er straks geld en politieke bereidheid zal zijn om brandende Iraakse oliebronnen ook in de meer afgelegen delen van het land te doven.
In elk geval zeven oliebronnen staan al in brand. En er zijn aanwijzingen dat dat nog maar het begin is. Zo zou Irak aan de vooravond van de oorlog 24 goederenwagons met mijnbouwexplosieven het land in hebben gereden en zouden Iraakse troepen op talloze plekken olie oppompen. Bij een aanval zouden zij die olie in brand steken, als verdediging tegen vliegtuigen en tanks.
Milieuexperts zijn opvallend stil over de mogelijke milieugevolgen van een reuzenfik in Irak. Geen wonder: tijdens de vorige Golfoorlog zaten ze er flink naast. Destijds werd een milieuramp van apocalyptische omvang verwacht. De rook van de Koeweitse oliebranden zou de zon verduisteren, een ‘jaar zonder zomer’ opleveren en de planeet misschien onderdompelen in een mini-ijstijd. Maar het viel mee. Het roet van de branden werd minder hoog de atmosfeer ingepompt dan verwacht, de branden waren sneller onder controle dan voor mogelijk werd gehouden, en door het warmere klimaat brak de natuur de oliedrab veel makkelijker af dan de computermodellen hadden voorspeld.
Aan de andere kant: sommige milieuproblemen pakten juist erger uit. Toen Saddams troepen vertrokken, lieten ze een woestijn vol oliemeren achter. Haast vijftig vierkante kilometer olie bedekte het land. Die olie is de grond ingezakt en is ervoor verantwoordelijk dat momenteel veertig procent van de Koeweitse zoetwaterbronnen vervuild is – in een land waar de inwoners toch al de beschikking hadden over het minste drinkwater van de wereld, volgens een pas gepubliceerd VN-rapport.
Dan is er het probleem van de erosie. Door legervoertuigen en gevechtshandelingen raakt de harde bovenlaag van de Iraakse woestijn beschadigd. Daardoor krijgt het onderliggende stuifzand vrij spel – met als gevolg zandduinen, zandstormen en woestijnvorming. Een niet te onderschatten probleem in Irak: zo ondervindt Koeweit sinds de vorige Golfoorlog grote problemen door het overal opduikende woestijnzand.
De meest acute ramp dreigt in het oosten van Irak, in wat eens het uitgestrekte Mesopotamische moeras was, aan de uitlopers van de Eufraat en de Tigris. Het gebied geldt als een van de belangrijkste natuurgebieden van het Midden-Oosten – en is volgens bijbelonderzoekers nota bene de plek waar het bijbelse verhaal van het Hof van Eden zich afspeelt.
Maar erg paradijselijk is het moeras al jaren niet meer. Het gebied is voor 93 procent opgedroogd, zo maakte de UNEP afgelopen weekeinde bekend: door irrigatieprojecten en stuwdammen. Milieuorganisaties zijn bezorgd. Volgens een onlangs verschenen studie kan de oorlog de kwetsbare moerassen die nog resteren wel eens de genadeklap geven.
UNEP heeft aangekondigd direct na de oorlog een onderzoeksteam het land in te sturen om de schade aan het Iraakse milieu op te nemen. “Wat het milieu beschadigt, zal vroeg of laat ook de bevolking treffen”, zei UNEP-woordvoerder Michael Williams eerder deze week tegen het persbureau Reuters.
Maarten Keulemans, NOS Online