“Kut”, roept de jongen bij de tramhalte in zijn mobieltje, “de zaal was om tien voor half negen al vol! We konden er niet meer in. Toen zijn we maar een biertje gaan drinken. Balen man, die Rodney Brooks is de goeroe van de kunstmatige intelligentie!” Inderdaad, de zaal zit stampvol. Jongens, mannen, en een enkele vrouw. Op het podium Rodney Brooks, leider van het 240 man sterke laboratorium voor kunstmatige intelligentie op het Massachusetts Institute of Technolgy in Harvard. Het appeltje op de achterkant van zijn superplatte laptop gloeit gemoedelijk de zaal tegemoet.
Zijn eens zo woeste haardos mag dan wel plaatsgemaakt hebben voor een beschaafder kapsel, Brooks ideeën zijn nog even tegendraads. De verschillen tussen mens en robot worden steeds kleiner, is zijn boodschap. Robots worden steeds mensachtiger, en mensen worden steeds meer een hybride van lichaam en machine. Niks engs aan, vindt Brooks, we zullen de robots altijd de baas blijven. Wij, robotmensen, zullen de zuivere robots altijd een stapje voor blijven, schrijft hij in zijn laatste boek, Flesh and Machines. We hoeven dus niet bang te zijn dat zij het bewind overnemen zoals in Hollywood-kaskrakers als The matrix en Terminator.
Brooks is twee dagen in Nederland om zijn boek, onlangs in het Nederlands vertaald als De kunstmatige mens, te promoten. Hij is uitgenodigd om een Studium Generale-lezing te geven aan de Universiteit van Amsterdam. Brooks wordt wel de Einstein van de kunstmatige intelligentie genoemd, faam die hij vooral te danken heeft aan de revolutionaire manier waarop hij robots ontwerpt. Robots die menselijk gedrag vertonen, tenminste: daar heeft het alles van weg.
Op het scherm toont hij My Real Baby, een vrucht van zijn bedrijfje iRobot. De pop zit van boven tot onder volgepropt met technologische snufjes. My Real Baby geeft aan wanneer ze wil slapen, wanneer ze wil spelen of eten, en wanneer ze een boertje moet laten. Ze moet giechelen als je haar kietelt, en begint erbarmelijk te schreien als je haar ondersteboven vasthoudt. Ze brabbelt woordjes, en naarmate ze ouder wordt neemt haar vocabulaire toe. My Real Baby is net echt, en dat is ook precies de bedoeling. Alleen de elektromotortjes die haar gezicht doen bewegen, maken onmenselijk veel herrie.
Brooks bouwt biologische robots. Robots die leren, robots die op hun omgeving reageren. Robots die emoties tonen, en op emoties reageren. Robots die, kortom, iets ‘levends’ hebben. Begin jaren tachtig gooide hij de kont in de krib en brak met het heersende dogma uit de kunstmatige intelligentie, het dogma dat voor intelligent gedrag complexe besturingsmechanismen nodig zijn. De meeste robots tot dan toe werkten met een intern model van de wereld, een plattegrond waarop ze voortdurend hun nieuwe positie moesten berekenen. Nergens voor nodig, vond Brooks. Het bouwen en instandhouden van zo’n interne plattegrond was moeilijk, en bijzonder tijdrovend. Bovendien maakte het de robots traag. “Kijk naar een rondscharrelend insect”, zei Brooks. “Het denkt niet na bij elke stap die het zet, zoals we onze robots laten doen. Het zet gewoon die stap, en dan ziet het wel verder.”
Brooks schafte de interne plattegrond af, en begon robots te maken die hun eigen weg zoeken. Een van de eerste voortbrengselen van zijn groep op het MIT was Genghis, een insektachtige robot die nog het meeste weg had van een lompe wandelende tak. Het is de robot waar Brooks nog het meest tevreden over is. “Hij gedroeg zich als een levend wezen, en op mij en iedereen die hem zag kwam hij ook over als een levend wezen,” schrijft Brooks in zijn boek.
De techniek die Brooks in Genghis toepaste, gebruikte hij ook voor de Sojourner, het robotvoertuigje dat in 1997 naar Mars afreisde en de bodem van die planeet verkende. Het gleed zonder problemen uit de capsule, en bolderde moeiteloos over de rotsblokken. Alsof het in zijn natuurlijke omgeving was.
Maar Brooks mikt hoger. Op het scherm in de zaal verschijnt Cog. Met zijn ogen volgt de robot de voorwerpen die in zijn blikveld bewegen, rijkt ernaar, duwt er tegen, pakt ze. Hij speelt een spelletje met zijn begeleider die een bordenwisser voor zijn neus heen en weer beweegt, en imiteert een onderzoeker die een reusachtige dobbelsteen van tafel gooit. In 1993 besloten Brooks en de zijnen een mensachtige robot te bouwen, en Cog – vooralsnog bestaande uit een romp, een hoofd en twee armen – is het resultaat. Cog kan vooral heel goed kijken, en dat is niet voor niks. Voor een natuurlijke omgang tussen mens en robot is de waarneming essentieel, meent Brooks. Oogcontact, het volgen van de blik van een ander, het maakt allemaal deel uit van de nonverbale communicatie die contact iets menselijks geeft. Cogs ogen maken kleine sprongetjes, saccades, als ze van links naar rechts bewegen, net als bij mensen het geval is.
Het MIT is ook de kraamkamer van een nog wonderlijker creatuur: Kismet. Kismet ziet er uit als een stripfiguur: reusachtige ogen, een gekke rode mond, flaporen en grote pluizige wenkbrauwen. Kismet bestaat alleen uit een hoofd. Maar wat voor hoofd. Kismet kan verdrietig zijn, of boos. Angstig of verrast, blij of opgewonden. Of verveeld. Dat is niet alleen af te lezen aan zijn gezicht, maar ook te merken aan zijn reacties. Kismet, het geesteskind van Cynthia Breazeal, is de eerste sociaal intelligente robot, een robot die overweg kan met emoties. Hij reageert niet alleen op emoties, maar vertoont die ook zelf.
En het werkt. “Mensen gaan met Kismet om alsof het een mens is,” vertelt Brooks. “Ze praten soms minuten lang tegen hem, en dat terwijl Kismet in een volkomen onbegrijpelijk brabbeltaaltje terugbabbelt.” Zoals de van straat geplukte proefpersoon, die 25 minuten lang met Kismet ‘in gesprek’ was over het horloge dat hij van zijn vriendin voor zijn verjaardag had gekregen.
“Waarom zou een robot geen emoties kunnen hebben?”, vraag Brooks zich in zijn boek oprecht af. “Vogels vliegen, en vliegtuigen ook. Niet op de manier van vogels, maar we zullen toch niet snel zeggen dat een vliegtuig maar ‘doet alsof’ het vliegt. Zo is het met de emoties van robots ook.” We zullen ons erbij neer moeten leggen dat we wederom van onze troon gestoten worden, meent Brooks. Copernicus beroofde ons van een centrale plek in het heelal, Darwin ontnam ons onze unieke plaats in de schepping, en zo zullen robots ons beroven van het laatste waarvan we dachten dat het ons, mensen, uniek maakte: emoties.
Brooks redeneert in zijn boek nog een stapje verder door: want áls robots dan gevoelens krijgen, en wij vatten een zekere sympathie voor ze op - zoals bij Kismet - ligt het dan niet voor de hand robots uiteindelijk ook rechten toe te kennen, zoals we in het nabije verleden ook slaven en vrouwen mensenrechten hebben toebedeeld? En zullen wij dan niet moreel verantwoordelijk voor ze zijn, net als voor onze kinderen?
In de zaal werkt het ook. Brooks laat een fragment zien waarin Kismet wordt uitgescholden. “Lelijke robot, dat doe je niet weer hoor!” klinkt het bars. Al snel slaat Kismet zijn ogen neer, en laat deemoedig het hoofd hangen. Er gaat een golf van medelijden door de zaal. ”Aaaah!”
Jacqueline de Vree
Rodney Brooks' "De kunstmatige mens - Hoe machines ons veranderen", verscheen bij de Bezige Bij, ISBN 90234 0053 4