Plastic vloot valt aan

Invasie van exoten op afval

Afval van vissersboten aangespoeld op Hawaii: uitstekende 'boten' die allerlei soorten over de oceaan vervoeren
Zoom
Afval van vissersboten aangespoeld op Hawaii: uitstekende 'boten' die allerlei soorten over de oceaan vervoeren

Plastic flessen en andere rommel in zee kunnen een ecologische chaos veroorzaken als ze op geïsoleerde eilandjes aanspoelen. Aan boord zitten vaak zeedieren die het natuurlijk evenwicht drastisch kunnen verstoren. Volgens een Britse bioloog is de rommel een belangrijk voertuig geworden waarmee uitheemse soorten nieuwe territoria veroveren.

Vroeger, toen er nog geen schepen waren, lag de zee ook al vol rotzooi. Hout bijvoorbeeld, of grote zaden als kokosnoten, of vulkanisch gesteente dat door ingesloten luchtbelletjes zo licht was, dat het bleef drijven. Onderweg zijn ze vaak gekaapt door zeewormen en mosselen, om maar wat te noemen, die op die manier in alle oceanen terecht kwamen. Bomen en takken waren daarnaast vermoedelijk de voertuigen waarmee kleine landdieren korte afstanden tussen naburige eilanden overbrugden. Later richtte de scheepvaart ecologische rampen aan doordat ze ratten wereldwijd verspreidden, samen met katten, varkens en geiten, die de inheemse flora en fauna op verschillende eilanden decimeerden. Nu dat besef is doorgedrongen, wordt er veel aan gedaan om herhalingen te voorkomen. Maar volgens de Britse bioloog David Barnes wordt daarbij een nieuwe grote bedreiging over het hoofd gezien: menselijk afval. Barnes, werkzaam bij de British Antarctic Survey, bezocht dertig afgelegen eilanden in de hele wereld – van Spitsbergen ten noorden van Noorwegen, tot aan Antarctica. Daar onderzocht hij ruim tweehonderd aangespoelde voorwerpen die door mensen zijn gemaakt, zoals plastic flessen, stukken visnet en afvalzakken. De rommel bleek het huis voor een keur aan diersoorten. Barnes vond onder meer mosdiertjes, eendenmosselen, zeepokken, borstelwormen en kwalpoliepen. Mosdiertjes waren te verwachten, want die komen in alle wereldzeeën voor, maar dat is van de meeste andere soorten niet te zeggen. Vooral de kwalpoliepensoort Halecium verbaasde Barnes, omdat werd aangenomen dat die diertjes zich weinig verspreiden. Dat komt omdat ze maar korte tijd als larve bestaan, normaal de enige periode in hun leven dat ze afstanden afleggen. Dan zijn ze bovendien amper in staat in een milieu te overleven dat afwijkt van de omgeving waarin ze zijn geboren. Maar komen ze als larve in het afval terecht, dan hechten ze zich daar later als volwassene aan vast, en volwassen diertjes zijn veel beter in staat zich aan veranderende omstandigheden aan te passen. Afval is volgens Barnes dan ook een belangrijk voertuig geworden waarmee soorten zich verspreiden. “In vergelijking met boten,” schrijft hij in het wetenschappelijk tijdschrift Nature, “gaat menselijk afval langer mee, is het wijder in de oceanen verspreid, en reist het langzamer; allemaal factoren die het de kolonisten gemakkelijker maken om te overleven.” Als een Halecium zich bijvoorbeeld vasthecht aan een scheepsromp, dan is er een grote kans dat hij er tijdens de vaart weer vanaf wordt gesleurd. Hard bewijs voor een ecologische ramp als gevolg van de troep heeft Barnes echter nergens gevonden. Hij kan slechts aanvoeren dat de hoeveelheid aangespoelde rotzooi in de afgelopen tien jaar sterk is toegenomen – in sommige delen van de zuidelijke oceanen zelfs met een factor honderd. Antarcitica wordt volgens hem daarom het meest bedreigd. Hier drijven amper bomen of ander natuurlijk afval, omdat er op het zuidelijk halfrond maar weinig land is waar dat afkomstig van kan zijn. De inheemse organismen op en rond het ijscontinent leven dus al lang geïsoleerd, en zijn volledig ingesteld op het gevestigde ecologische evenwicht. De komst van exoten op menselijke troep zou in die streken daarom grote gevolgen kunnen krijgen, waarschuwt Barnes. Marc Koenen D. Barnes: Invasions by marine life on plastic debris. In: Nature, vol. 416, p. 808 (25 april 2002).