Kippetje zonder

Geneesmiddelverbod werkt

Noorderlicht: nieuws kip antibiotica
Zoom
Noorderlicht: nieuws kip antibiotica

Het Europees verbod op antibiotica in het voer voor slachtkippen, werpt vruchten af. In de vijf jaar dat het verbod nu van kracht is, blijkt het aantal ziekteverwekkende bacteriën dat ongevoelig is tegen de medicijnen, fors teruggelopen.

Het leek een mooie ontdekking, een paar decennia geleden. Door het voer van vee - runderen, varkens, kippen - met antibiotica te verrijken, kwamen de dieren niet alleen sneller op slachtgewicht, maar aten bovendien minder. Lagere productiekosten dus, en dat tikte leuk aan in de portemonnee van boeren. Zo'n tien jaar geleden echter rees het vermoeden dat de toegevoegde geneesmiddelen nadelige gevolgen voor de consument hadden. Als die vlees eet, krijgt hij de antibiotica voortdurend binnen. Ziekteverwekkende bacteriën, die met diezelfde middelen worden bestreden, kwamen dus voortdurend in aanraking met de middelen. Dat vergroot de kans dat een bacteriestam die er ongevoelig voor is, zich breed verspreidt. Die vrees bleek uit te komen. Het werd steeds lastiger om bacteriële infecties te stoppen, die voorheen in korte tijd met antibiotica om zeep te helpen waren. Daarom verbood de Europese Commissie in 1997 om het antibioticum avoparcine in het kippenvoer te mengen. Avoparcine lijkt sprekend op een ander middel, vancomycine, dat als 'laatste redmiddel' tegen resistente bacteriën wordt gezien, omdat het sommige soorten bestrijdt die voor alle andere antibiotica ongevoelig zijn geworden. Een consument die veelvuldig wordt blootgesteld aan avoparcine, kan dus een broeinest worden voor bacteriën die resistent zijn tegen vancomycine, zo luidde de theorie. Dat idee lijkt nu bevestigd, met goed nieuws als gevolg. Belgische microbiologen van de Universiteit van Antwerpen testten in het voorjaar van 2001 de gevoeligheid voor vancomycine van verschillende soorten enterococcen, die bij 353 ziekenhuispatiënten waren gevonden. Slechts 0,6 procent van de organismen bleek tegen vancomycine bestand. Dat is beduidend minder dan de 5,7 procent die bij een vergelijkbare test uit 1996 - vóór het verbod op avoparcine - tevoorschijn waren gekomen. De resistentie is dus fors teruggelopen. En omdat vancomycine net zo veel in Belgische ziekenhuizen wordt gebruikt als in 1996, mag dat worden toegeschreven aan het verbod, stelde onderzoeksleidster Greet Ieven deze week tijdens een conferentie in Chicago. De ontdekking kan gevolgen hebben voor het politieke beleid, want de discussie over antibiotica in veevoer is bepaald nog niet voorbij. In Europa mag inmiddels bijna geen enkel middel meer aan het voer worden toegevoegd, maar in de Verenigde Staten zijn invloedrijke organisaties tegen een verbod gekant. Ook Nefato, de Vereniging van Nederlandse Fabrikanten van Voedertoevoegingen, benadrukt het belang van 'antimicrobiële voederbespaarders', onder meer omdat het voedsel anders onbetaalbaar duur zou worden. Volgens de vereniging houden de wetenschappelijke rapporten waarop het Europese verbod gestoeld zijn daar geen rekening mee, en zijn ze dan ook 'gekleurd en eenzijdig'. Marc Koenen